28 Mei 2015

Bij dal kantelt de maag

Lammert Voos, Rigor (Stanza, 2015)

Lammert Voos, die eerder bij uitgeverij de Contrabas de bundels Klaai (2008) en Grensman (2010) publiceerde, schrijft zelfbewuste poëzie. Zijn derde bundel Rigor opent met een citaat van Belcampo: ‘Je wordt geboren, je leeft een tijdje, / je begrijpt er geen bliksem van en je gaat dood.’ Erop volgt een gedicht waarin de spreker regisseur is in een theater zonder podium en zonder spotlights en ‘waar de / decors zichzelf schilderden’. Zelfbewust is de indeling van deze bundel in zes reeksen, die verschillende plekken en thema’s belichten. En waarin de spreker zichzelf ziet: ‘Nietig en pover ploeter ik / voor door aangelegde woorden.’

Abonneer je op de Revisor

4 boeken als welkom, 2 nummers en 1 login

Koop de Revisor los!

bestel direct de halfjaar boeken of oude jaargangen

27 Mei 2015

Rojstni Dan | Slovenië

Bekende vreemden

Voor Revisor.nl spreekt Richard de Nooy in een nieuwe reeks korte verhalen onbekenden aan. Hij schrijft de verhalen van 'Bekende vreemden'. Bekend, want ze komen ook voor in zijn nieuwe roman (werktitel Vreemdenliefde). Een voorloper was 'Annunaki', verwante verhalen stonden op A Quattro Mani. Na 'Morfine' is dit de tweede aflevering.

*

  1. Je bent bibliothecaresse bij de Mestna Knjižnica in Ljubljana.
  2. Daar werk je al te lang.
  3. Dat is een feit.
  4. Je zou hier graag een korte descriptieve passage willen plaatsen die jouw langdurige verbondenheid met de bibliotheek bevestigt.
  5. Je bent echter niet in staat om die passage zelf te schrijven.
  6. Je leest graag maar schrijft zelden.
  7. Je weet wél dat je niet steeds met ‘je’ zou moeten beginnen.
  8. Je hoeft geen goede schrijver te zijn om bibliothecaresse te worden.
  9. Wel moet je veel over schrijvers weten. En over boeken natuurlijk.

Lees onze nieuwsbrief

Het is gratis, en maandelijks

Schrijf mee aan de Revisor

Stuur je proza, poëzie of essayistiek in

26 Mei 2015

Persoonlijk

En de winnaar is... IV

Op het terras van Wildschut dronk ik bubbels. Er was een reden om iets te vieren maar die bubbels hadden niks met schrijven te maken en ook niet met literaire prijzen. Het waren persoonlijke bubbels.

Verderop zaten Josje Kramer en Arie Storm. Josje is uitgever bij Querido, haar man Arie is recensent bij Het Parool. Hun dochter was er ook bij. Ze aten broodjes. Ik sprak ze even, ik vroeg Josje of ze een leuke Libris-uitreiking had gehad. Ze stond op een foto in de rubriek Schuim, ook in Het Parool. Twee schrijvers uit de stal van Josje waren genomineerd: Kees ’t Hart en Gustaaf Peek. Allebei niet gewonnen, en Josje had daarom een vreselijke avond in het Amstel Hotel. Ze had zelfs ruzie gemaakt met iemand die aan de kant van winnaar Adriaan van Dis stond.

Dat krijg je als er één winnaar is en vijf verliezers, en bij iedere verliezer een gezelschap dat al weken hoopt op dat ene glorieuze moment, in plaats van naar de radio te luisteren, waar ik eerder die week precies de uitslag voorspelde.

21 Mei 2015

Vaar de boot terug

Myrte Leffring, Om je schouders hang ik de nachten (Van Gennep, 2015)

‘Veeg mij uit veeg alles / uit en vaar de boot terug,’ schrijft Myrte Leffring (1973), redacteur van Awater, in haar debuutbundel Om je schouders hang ik de nachten. De opdracht die ze hier geeft, is aan de boeg een mossel te vinden en met wierige armen tot aan de vloedlijn terug te peddelen. Leffrings gedichten zijn mooi afgeknot, ze laten veel open, ruim voldoende ruimte voor lyriek bijvoorbeeld. Constant lees ik er zinspelingen op de liefde in, het lijkt wel of ieder nieuw gedicht een ander bezingt. Liefst iemand die sterk is en zacht tegelijk: ‘Je bent zo verwarrend warm / en zeker en zacht en omhelzend / van arm, met zachte lachjes en kalm / zo zwaar staand soms, staand op je benen.’

18 Mei 2015

Dooi!

Winter-IJsland X

De lente is een orkaan.
We zijn naar buiten gerend, struikelend, de wind douwt ons voor zich uit. De deur is achter ons dichtgeslagen. Ons kind, op de plaats rust, kijkt vanaf de vensterbank, haar neus en handen plat op de ruit. We graaien naar alles wat losligt. We binden schommels aan palen, we sjorren een kei op de klep van de zandbak. Tillen valt me zwaar, mijn buik wordt groter. Ik probeer bij de voordeur terug te komen maar ik kantel en val op mijn knie. Voorovergebogen crawl ik tegen de windstroom in. Verslap ik mijn spieren dan waai ik achterover. Mijn man grijpt mijn elleboog. Maaiend met armen en benen banen we ons een weg naar het huis.

14 Mei 2015

De export van levenspijn

Over Robert Anker, Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd (Querido, 2015)

‘Meestal laat ik alles maar gebeuren’, schrijft Robert Anker in een van de gedichten uit de reeks ‘Bergense uitzichten’ die hij schreef in het huis van Adriaan Roland Holst. We zijn nog maar net op gang in de nieuwe bundel en al meteen is er sprake van een grote gelatenheid: ‘een dier weet altijd waar hij is en wat er om hem heen is.’ De mens daarentegen sluimert weg in zijn gemijmer: ‘dat ben ik, een leegte die gevuld is met aanwezigheid.’

Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd geldt als de tiende dichtbundel van Robert Anker, maar volgens mij zijn het er meer als je zijn bundel als stadsdichter van Amsterdam en de kleine bundel In het westen de laatste trans uit 2011 meerekent. In Gemraad Slasser d.d.t. nam Anker de gedaante aan van een onderwereldpersonage, een tamelijk geloofwaardige antiheld, een abject en onaangenaam figuur. Anker leek er de tijdsgeest mee in zijn hemd te willen zetten. Robert Ankers werk heeft vaker iets razends, het is ongeduldig van toon en tegelijk weloverwogen, wat een intrigerende paradoxale poëzie oplevert. In Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd lijkt Anker de peilloze afgrond van de ik-figuur op een kier te zetten, de non-existentie, het niet-zijn, en dat is nog een stuk beklemmender dan het relaas van een gefingeerd personage.

13 Mei 2015

Over droefheid

Bij het thema van de Jan Hanlo Essayprijs 2015

15 mei is de deadline voor de Jan Hanlo Essayprijs Klein. U heeft al uw 2500 woorden geschreven 'Over de liefde', en ingezonden. 18 juni wordt de prijs uitgereikt. Twee jaar geleden won ik, nu houd ik het bij 900 woorden, 'Over droefheid'. Tot over een maand!

Het is groots en fris en breekbaar. Die eerste uren, dagen, weken, maanden met een nieuwe geliefde weet je hoe het zonder was, en kan elk woord, elke stap er één terug zijn. Ik benoemde het niet. Niet de verliefdheid, niet de liefde. Niet: Ik hou van jou. Dat werden onze verboden woorden. Later bezworen wij elkaar ons geen beloftes te doen. De toekomst is onzeker, dit nu is goed.

We dachten erg veel die eerste tijd, maar sindsdien weet ik wel: Liefde is een woord.

12 Mei 2015

Geen lente

Winter-IJsland IX

De maan schuift voor de zon. Mijn dochter, met okeren wangen, de wimpers merkwaardig rossig, knippert naar de verduisterde baai. We luisteren naar het gehinnik van paarden, er wordt gesteigerd, de watervogels maken lawaai, kwaken en wieken. Met het vergiet, de gaten rond, maakt mijn man schaduwen vol uitgespaarde maantjes op de muur. Smaller en smaller worden ze, de kamer krijgt een sepia filter. Na al dat wachten op de zon juich ik geen enkel donker toe, of de schaduw nu wordt veroorzaakt door een berg, een wolk of een maan – licht kan me niet fel genoeg zijn.

11 Mei 2015

In termen van herhaling

Uitgesproken tijdens Lof der herhaling, de lancering van Revisor 9

5 mei vond de avond Lof der herhaling plaats bij Spui25. Na bijdragen van Jan van Mersbergen, Jan Baeke en Daan Stoffelsen, en voordrachten van Idwer de la Parra en Wim Noordhoek discussieerden sprekers en publiek over hoe herhaling werkt. Vandaag plaatsen we Stoffelsens bijdrage online; Jan Baekes verhaal zal in het komende nummer van de Revisor verschijnen. Via Jan Hanlo, Oek de Jong, Quintilianus, Vladimir Nabokov, Charlotte Roche, Sander Kollaard: herhaling, herhaling, herhaling.

08 Mei 2015

De wrede wiskunde van genot

Over Jan Lauwereyns, Theorie van de rondworm (Koppernik, 2015)

‘wie waanzin wil begrijpen, / moet de beweging bestuderen’, schrijft Jan Lauwereyns in zijn nieuwe dichtbundel Theorie van de rondworm. Het is op die eerste bladzijde nog niet duidelijk of hij een specifieke beweging voor ogen heeft. Een ballet, een dans, bewegingen van mensenlichamen of wormen die een wetenschapper door een lens bekijkt. Het gedicht wentelt snel over de pagina’s.

De hoofdfiguur (‘hij’) is vader, hoofd van laboratorium. Hij schrikt wakker en springt de metro uit op weg naar huis en realiseert zich pas tijdens de sprong dat het niet zijn station is. Zo belandt hij in een tussentijd, het signaal van de metro die zou vertrekken deed hem in zijn ontwaken naar buiten spurten. Of hij nu het station verlaat of een andere metro neemt is niet meteen duidelijk, wel komt hij bovengronds en vindt er een ontmoeting plaats. Hij volgt iemand wier billen ‘geen domme hammen, maar Grieks marmer’ zijn, en waarmee hij ooit gedanst heeft, drie jaar geleden.

Omhoog