In een periode waarin ik niet aan een roman wil werken is het herlezen van Jeroen Brouwers’ Bezonken rood geen goed idee, want die kleine roman geeft altijd goeie ideeën. Het boek staat bekend als een kamp-roman, maar voor mij gaat het boek veel meer over een complexe moeder-zoon verhouding.
Komend nummer van De Revisor biedt ruimte aan een vijftal debutanten. We introduceren elk van hen door middel van een kort interview. Vandaag: Leen De Graeve, van wie het verhaal 'Het been' gepubliceerd zal worden.
Op mijn site schreef ik in april een stukje over mijn zoon en over de scheiding tussen zijn moeder en ik. Ik vertel al die stukjes zelf en wilde de boosheid van mijn zoon laten zien, en aan het einde van het blog had ik vanzelf een metafoor te pakken.
'Van een schrijver wil je eigenlijk niet weten hoe zijn adem ruikt. Of ook hij na twee keer blazen toch gewoon mee moet naar het bureau. Je wilt niet weten hoe zijn haar 's ochtends om halfacht zit, je bent niet wezenlijk geïnteresseerd in de exacte ingrediënten van zijn ontbijtje, in zijn vrouw, in het aantal kaarsen of roze gloeilampen op zijn schrijftafel - in zijn werkmethode, de uren die hij slapend of wakend of schrijvend doorbrengt.'
Precies mijn gevoel (met uitsluiting van die werkmethode). Het is een combinatie van gêne, ergernis (om de arrogantie, de gemakzucht om jezelf centraal te stellen) en ongemak. Het kan toch niet zo zijn dat schrijver, verteller en hoofdpersoon één zijn? Herman Koch verwoordt in zijn verhaal 'Schrijven & drinken' wat me tegenstaat aan autobiografisch proza. Het zal ten dele verklaren waarom ik delen van A.F.Th. van der Heijdens Tonio niet kon verteren (zie mijn stuk in De Revisor 2011-2), en waarom ik moeite had met het perspectief van Alsteins werk (eigen observaties, eigen familiegeschiedenis, zij het geen verhalen over hemzélf, wat het alleszins beter te verstouwen maakt), en met een groot deel van Kochs verhalen. Want bedankt voor de verwoording, meneer Koch, maar vervloekt dat u er dan vervolgens toch over uitweidt, over dat drankgebruik van u.
Op de harde schijf van mijn laptop (en op een usb-stick, en her en der op mijn hotmail-account, back-ups) staan in een mapje dat ‘romans’ heet zeven andere mappen die allemaal een cijfer dragen, van 1 tot en met 7, en daarachter de titel van mijn eerste roman, tweede roman, derde… enzovoort. Op die manier staan de romans niet in alfabetische maar in chronologische volgorde. Map zeven heet simpelweg 7.
Dienstmededeling: tot onze grote blijdschap zijn de eerste twee jaargangen van de gedigitaliseerde De Revisor nu gepubliceerd op DBNL.org. Jaargang 1 (1974), met bijdragen van Dirk Ayelt Kooiman, Jacob Groot, Tom van Deel, Jan Donkers, Rutger Kopland, Doeschka Meijsing, Henk Romijn Meijer, Gerrit Komrij, Willem Jan Otten. En jaargang 3 (1976), met naast bovenstaanden Witold Gombrowicz, Willem van Toorn, Gerrit Krol, Willem Brakman, Nicolaas Matsier. En veel meer. Aprilvoornemen: we duiken in de schatkist en leiden enkele van deze schatten in.
We bieden onze abonnees tijdelijk grote fragmenten uit nieuwe boeken van auteurs die in De Revisor stonden: Laura Broekhuysen, Hans Groenewegen, Jan van Mersbergen, Daan Heerma van Voss, Victor Schiferli, Anton Valens, Bart Koubaa en nu Sanneke van Hassel. Ditmaal het verhaal 'Vijf miljard jaar' uit Van Hassels nieuwe verhalenbundel Ezels.
In Ezels maken we kennis met een Chinese loempiabakker en zijn stille liefde, met een moeder die alleen door Cornwall trekt en met een Amerikaanse op weg naar het Como-meer. Sanneke van Hassel haalt haar personages uit hun vertrouwde omgeving en stelt ze voor beslissende keuzes. Weggaan of blijven, de waarheid zeggen of liegen, vreemdgaan of trouw zijn – Van Hassel laat zien dat het maken of het ontlopen van een keuze vaak op hetzelfde neerkomt.
In haar nieuwe bundel schetst Sanneke van Hassel de menselijke soort met mildheid en verbazing – intussen de vraag openlatend wie de werkelijke ezels zijn.
Het was zaterdagmiddag. Ik nam mijn kinderen mee naar het De Mirandabad. Ik kreeg een idee voor een roman, schreef dat idee op in mijn kleine zwarte Moleskine boekje dat ik altijd bij me heb maar waar ik verder nooit iets in terugkijk. Ik onthoud het wel. Het idee was er opeens, maar ik had me ergens in 2011 al voorgenomen om dit jaar niet aan een roman te werken.
We bieden onze abonnees tijdelijk grote fragmenten uit nieuwe boeken van auteurs die in De Revisor stonden: Laura Broekhuysen, Hans Groenewegen, Jan van Mersbergen, Daan Heerma van Voss, Victor Schiferli, Anton Valens en nu Bart Koubaa. Achter de abonneemuur. Ditmaal de drie eerste hoofdstukken uit Bart Koubaa's De Brooklynclub.
In het midden van de jaren zestig richten drie Amerikaanse vrienden de Brooklynclub op. In een pakhuis langs de East River organiseren ze bloedige gevechten in een oude boksring. Nadat Mayer, een jonge vastgoedmakelaar, de grote liefde van een van de oprichters verkracht voor de ogen van de leden, is de ondergang van de club een feit. Dertig jaar later wordt Mayers levenloze lichaam in zijn appartement teruggevonden. De vermoedelijke moordenaar wordt uiteindelijk opgepakt in Groenland en naar een gevangenis in Brooklyn overgebracht, waar hij nu al negen maanden op zijn proces zit te wachten.
Het gebeurt je toch, je ziet overeenkomsten, verbanden, samenhangen. Ook al lees je voor je lol, het potlood blijft tussen je vingers hangen. De actie in het voorlaatste Vlaamse Boekenweekgeschenk vindt op het platteland plaats, in een verbouwde boerderij, een 'gerestaureerde villa', in het nieuwste ook, in een 'fermette', maar een met ambitie, naar het voorbeeld van een haciënda, gebouwd met Boomse baksteen. En ook bij de mannen die hun vrouwen achterlaten in huizen die ze nooit gewild hebben, bij het landmetersbureau en de amateur-landmeter, bij de ijsblokjes in de whisky van de slechte vrouwen. Maar heeft het zin, dat potlood? Het is ongetwijfeld geen toeval dat Lanoye hier Claus echo't, maar komt dat door de klankkast van de literatuur of is het werkelijk betekenisvol? En doet dat ertoe?
Ik zet streepjes in Boekenweekgeschenken, maar waarvoor?
Peter Maes snoof de bosgeur op rekte zich uit en herkende het gezang van een koolmees. Het was een tijdje geleden dat hij het gehoord had. Er kwamen veel meer lage tonen in voor dan in de liedjes die de koolmezen in de stad zongen. Daar floten ze veel harder en hoger. Hij vond het meesje snel en bekeek het door zijn verrekijker: de zwarte kruin, de witte driehoekige wangvlekken en de brede zwarte band die midden over de gele borst loopt. Hij haalde een paar pinda’s uit zijn zak, legde ze op zijn hand en imiteerde de zang. Het vogeltje draaide zijn kopje een paar keer en stopte met zingen. Peter Maes hield zijn hand met de pindanoten gestrekt voor zich uit.
Zijn vrouw vertrok met hun dochtertje naar haar moeder; hun oudste dochter hadden ze de keuze gelaten. Ze ging mee, ze kon het hem niet vergeven dat hij haar zusje had geslagen. ‘Schrijf je boekje maar over inleving en empathie, mooie praatjes, kinderboeken met clichéhumanisme,’ had ze in een opwelling geroepen. Hij wist dat ze gelijk had. Wat was zijn boek over empathie en moraal bij vogels waard als hij zelf een smeerlap was? Wat was zijn werk nog waard? Hij was niet de eenogige kraai die het koolmeesje had gered, hij had het weerloze meesje een klap gegeven, dat was zijn werkelijkheid en die was ondraaglijk omdat hij zichzelf niet kende, omdat hij zichzelf niet kon kennen.
Gerrit Krol, wiens werk vanaf het zesde nummer van 1974 tot het tweede van 2005 regelmatig in dit tijdschrift terug te vinden was, schreef in 1985 een stuk over witregels, dat al met instemming geciteerd is op deze site. We mogen het hernemen op Revisor.nl. Over een verschijnsel 'dat in de literatuur even normaal is als bijzonder - als je je rekenschap geeft van de overwegingen waardoor een schrijver zich laat leiden op het moment dat hij, al schrijvend, een regel overslaat'.
'De herder wil altijd met zijn neus voor de andere drie hondenneuzen uit. Hij trekt het hardste aan zijn riem. Ze draagt een zwart regenjack met de capuchon op tegen de regen. De dieren zijn niet van haar, dat merk je aan hoe ze met ze loopt en hoe de lijnen steeds in elkaar verstrikt raken. Ik heb haar al vaker met ze zien lopen langs het weiland.'
Maar daar kan het niet bij blijven, en daar blijft het niet bij. Dit meisje heeft voor elke hond een sleutel tot andermans huis, tot andermans levens. Met hetzelfde uitgangspunt als Elmer Schönbergers Vuursteens vleugels loopt dit verhaal uit in een stiekeme vervreemdingssessie à la Amélie. Maar wie is die 'ik'? Misschien dezelfde persoon als 'je', iemand die al uit het vage 'hoe ze loopt' iets op kan maken, iemand die toekijkt met een scherpe blik. Maar wat doet die iemand in het verhaal van de honden en het meisje?
Er dringt zich een verteller op in Sara Kroos fictiedebuut Doorkijk (2011), in bijna alle verhalen in de bundel. Iemand kijkt door de vitrage naar binnen, iemand ziet een Marokkaanse in een viskraam, een stel zestigers op een terras, iemand gebruikt zijn observaties om zich in iemand in te leven, en er iets meer van te maken. Maar waarom telkens de sleutel en de deur vermelden als je zó naar binnen kunt stappen?
Omdat dat de grap grappiger maakt? Ik kom erop terug. Ik las de afgelopen weken ook een debuut uit 2010, van Daphne Huisden, Alles is altijd fictie. In de proloog staat 'Alles is ingevuld. Binnen de lijntjes. Laat ik een verhaal maken. Laten we een spel spelen', en vanaf de volgende pagina is er een ik, je denkt dezelfde ik, maar het blijkt een andere ik, en blijkbaar geldt de titel ook bínnen het verhaal.
Over vertellers en sleutels, binnen en buiten, fictie en wat klopt.
Froukje van der Ploeg studeerde audiovisuele vormgeving aan de kunstacademie St. Joost in Breda. Daarna volgde ze een schrijversopleiding aan 't Colofon (de Schrijversvakschool) en studeerde af in de richting poëzie.
Haar werk werd voor het eerst gepubliceerd in het Hollands Maandblad in 2001. Het Hollands Maandblad kende haar in 2004 de Schrijversbeurs toe. Van der Ploeg's debuutbundel Kater verscheen in 2006 bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Momenteel werkt ze aan haar tweede bundel. Een aantal gedichten daaruit verschenen in het Liegend Konijn, Hollands Maandblad en Poeziekrant.
Marein Baas (1981) is dichter, journalist en copywriter. Hij won diverse poetryslams en trad op op poëziefestivals. Hij is een van de oprichters van het Utrechtse absurdistisch proza-collectief de Vorlesebühne en columnist bij Unstblog.nl. In het komend halfjaarboek van de Revisor debuteert hij met een reeks gedichten.
Hanz Mirck (Zutphen 1970) debuteerde in 2002 met Het geluk weet niets van mij (genomineerd voor de Buddinghprijs). Daarna volgden Wegsleepregeling van kracht (J.C.Bloemprijs) en Archiefvernietiging. Als stadsdichter van Zutphen schreef hij ook de bundel Met andere ogen. Ook publiceerde hij een roman (Het godsgeschenk) en poëzie voor kinderen. Momenteel werkt hij aan zijn vijfde bundel.
Mischa Andriessen (1970) debuteerde met de dichtbundel Uitzien met D (2008). Hij won met die bundel de C.Buddingh'prijs voor het beste poëziedebuut. Hij publiceert over jazz en beeldende kunst in diverse kranten en tijdschriften. Voor Bunker Hill vertaalde hij amerikaanse poëzie. Hij is redacteur van het literaire tijdschriftTerras. In augustus verschijnt zijn tweede dichtbundel bij De Bezige Bij, Huisverraad.
31 januari verzorgde BNG Nieuwe Literatuurprijswinnaar en Revisor-redacteur Jan van Mersbergen de eerste Revisorlunchlezing bij Spui25, over Vasteloavend, leedjes en Naar de overkant van de nacht. Registratie, in drie delen.
Sarah Arnolds (1992) is geboren in Amsterdam. Ze studeert aan de afdeling 'Beeld en taal' van de Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteert in De Revisor.
Het glas bier gaat rond, om beurten nemen ze een slok en na elke slok wordt het niveau weer aangevuld met wodka, tot het glas gevuld is met pure wodka.
Er wordt vaak geklaagd over de ongeloofwaardigheid van romans en daar kan ik inkomen, maar nu ik met deze roman mijn leven op de voet gevolgd heb, kan ik met de hand op mijn hart verzekeren dat niets zo ongeloofwaardig is als het leven.
Uitgerekend in deze jaren legde Achille van den Branden de grondslag van een opzienbarende leesvaardigheid, die hij tot de perfectie zou weten op te voeren en die hem wereldberoemd zou maken.
Die dag hoort Natalie van op de overloop van het huis, dat de hele vroege morgen rustig is geweest, buiten de naam van Deedee; zij wacht niet eens af om te luisteren hoe of wat, het is voldoende dat het iets met Deedee te maken heeft, iets omtrent Deedee, in de buurt, ongeveer vlakbij, in ieder geval aangaande: Deedee, en zij sukkelt onmiddelijk naar de trap.
Wat een gift, wat een raadsel hoe je al die tijd alles paraat had - maar er zelden naar omkeek, vluchtig soms als naar een foto die je eens van een vergezicht had gemaakt; en dat je herinnering bedolven raakte onder knisperende laagjes nieuwe gebeurtenissen, boordevol mensen en vakanties en boeken en oudjaarvieringen en omwintelingen in de wereld en dat nu, domweg door Martins uitnodiging in te gaan en in een trein te stappen, een bries opstak die alle opgetaste tijd wegblies en je toonde dat het daaronder fris en levend bleek als twintig jaar geleden.
Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten, die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt, dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat.
Ik zat in mijn studeerkamer en was bezig aan mijn boek over de zelfmoord als sexuele afwijking, toen het dienstmeisje kwam melden, dat er iemand voor mij buiten stond.