» ga terug naar de website
Stichting De Revisor
Singel 262
1016 AC Amsterdam

020-5975421
info@revisor.nl literairetijdschriften.org

Boos

Het objectieve subject

Praktische bezwaren. Ik wil Nescio te lijf gaan, en denk aan Elsschot. Geen wetten, maar geneuzel in de marge zit me in de weg. Geneuzel en spuitluiers en gepruttel uit de wieg. Geneuzel over gestopte schrijvers en symbolische schrijfsters, afgewisseld met de kracht van de karikatuur, het spel met indirecte rede en de stem van de burger in de novellen van Nescio. Bakker, Verhulst, Luiselli, Peek - Van Mersbergen - Lindner - Koubaa - Stoffelsen, Nescio en de baby, zij het niet in die volgorde van belang.

(meer)

Archief: De trompetten van Amerika

De Revisor is veertig jaar oud. We vroegen redactieleden van weleer wat hun keuze uit het archief is. Thomas Rosenboom, redacteur van 1989/2 tot 1991/6, bepleitte van P.F. Thomése het verhaal 'De trompetten van Amerika', uit het derde nummer van 1990, dat sowieso al een rijk nummer was, met bijdragen van A.F.Th. van der Heijden, Dirk Ayelt Kooiman, Gerrit Krol, Nicolaas Matsier, Willem Brakman - en vele andere auteurs en redactieleden van naam.

'De trompetten van Amerika', een mysterie in een winters pension aan zee, verteld vanuit een jong personage, stamt van vóór Thoméses debuut in boekvorm. Het is, zoals hij schrijft, 'een lange lap', maar het talent van de schrijver is overduidelijk, het stille verhaal davert van suggestie.

(meer)

Een oude Mercedes

Auteur versus schrijver IV

Die ochtend vertrok ik samen met Daan Heerma van Voss naar een middelbare school in Amersfoort. Daan gaat deze hele maand langs scholen in Nederland, soms twee per dag, en steeds is er een andere schrijver die hem vergezelt. Het CPNB en de Bezige Bij organiseerden deze rondgang, die ze JongerenliteraTour32 doopten, naar de laatste roman van Daan, Het land 32. Het belangrijkste aan de tour: Daan zou rondgereden worden in een grote oude Mercedes met witte stickers op de deuren waarop stond: JongerenliteraTour32.

(meer)

Vraag het aan Qvigstad

De koffielezer

‘Als u midden in de nacht zonder koffie zit kunt u het ook Qvigstad vragen, monsieur Qu’bah, als u het fijne van de zaak wil weten, moet u bij Qvigstad zijn. Dat is een metafysicus. Die weet alles van het hiernamaals, de toekomst duizend jaar na nu, het leven na de atoomoorlog, embryo’s in reageerbuizen. En nog veel meer… de aandelenkoers… de inflatie… de letteren… en altijd met de glimlach.’
Al goed en wel, maar hoe doe je zoiets: het vragen aan Qvigstad; gesteld dat hij nog leeft? En dan, misschien nog duizend-en-één keer belangrijker: wat vraag je Qvigstad? Je moet natuurlijk een idee hebben van waar je naar toe wilt, een doel so to speak.
‘O nee, monsieur Qu’bah, alles staat geschreven, Maktub, zoals wij hier zeggen, Maktub… het ligt vast, uw verleden en uw toekomst, u moet het alleen nog lezen, in uw koffie.’
‘Of het aan Qvigstad vragen?’
‘Ja, dat is nog beter dan koffie, vraag het aan Qvigstad.’
‘En waar vind ik die Qvigstad?’
‘Gebruik uw verbeelding, koffielezer!’

(meer)

Sax

500 à 1000

De jongen was bleek van het soort dat niet kleurt in de zon, misschien had hij Engelse roots. Zijn haar was kinderlijk blond en zijn lippen waren meisjesachtig vol en van het roze dat lippen krijgen wanneer ze in koud weer iets warms gedronken hebben. Ze probeerde te denken aan andere dingen die ze mooi vond: zwarte vogels op de wieken van een windmolen en koeien die wolkjes ademen in de vroege ochtend als ze langs het land van de buurman fietste, op weg naar haar werk in de stad die altijd onverwacht hard en vol was na het groen. Nu was ze met de auto gekomen, de saxofoon moest in de achterbak.
De jongen woonde in de stad, dat had hij haar verteld; hij was er opgegroeid. Opvallend schoon, leek hij, voor iemand die leeft tussen de uitlaatgassen en roetpluimen, hij miste die grijze waas die bij veel stadsbewoners altijd aanwezig leek en die zij al lang van zich afgewassen had in de jaren dat ze er niet meer woonde. Tegenover al die teerheid en dat zachte bleke stonden zijn handen die grof waren. Ze lagen vlak bij de hare. Hij verkruimelde een bierviltje.

(meer)

Polemiek

Toen de Britse schrijver David Dabydeen (foto) op 13-jarige leeftijd op de boeg van het schip stond dat hem uit Brits-Guyana weghaalde, verheugde hij zich. Hij verheugde zich op het weerzien met zijn vader, die al jaren eerder naar Groot-Brittannië emigreerde. En hij verheugde zich om daar in dat verre Engeland gediscrimineerd te worden, op de straten van London verwijten naar zijn oren geslingerd te krijgen. Hij oefende zich in een weerwoord, had passages van Shakespeare en Dickens uit zijn hoofd geleerd, het zou een linguistic battle worden. Hij zou zijn mannetje weten te staan. Gediscrimineerd worden is praktisch, bedacht de jongeman, het is een gemakkelijke en effectieve manier om snel in contact te komen met de lokale bevolking. Aangekomen in Engeland was de teleurstelling groot. Gediscrimineerd werd hij, dat zeker, maar de skinheads kwamen niet verder dan het roepen van nigga of moddafakka. Dabydeens deceptie was van literaire aard, dit was geen schelden op hoog niveau, dit was nauwelijks meer dan het geblaat van een kudde schapen. Dabydeen debuteerde met de bundel Slave song in 1982. Hij publiceerde tien jaar later een fraaie roman, Disappearance, over een gekleurde ingenieur die de kliffen van Dover onderzoekt en een hond aanschaft om in contact te komen met de bevolking in het dorpje waar hij verblijft. Hij schreef het geweldig gedicht Turner, bij de woeste schilderijen van zeestormen van de meester. Nog later zou hij meer romans schrijven, professor worden van de Carribische studies aan de universiteit van Warwick en nog later de ambassadeur van Brits-Guyana in China.

(meer)

Man of vrouw

Auteur versus schrijver III

Ik kreeg Keke Keukelaar op bezoek. Ik ging op de foto. De dag ervoor plaatste ze op facebook drie foto’s van vrouwen die geïnterviewd werden in de weekendkranten. Citaat van de eerste vrouw dat er groot uit werd gelicht: ‘Mijn problemen waren prinsessenproblemen: er was geen oorlog, ik heb geen honger... er was gewoon enorme paniek in mijn hoofd.’ Zangeres Jacqueline Govaert: ‘Ik ben ongeduldig, altijd.’ En tot slot een harpiste die zei: ‘Ik huil heel snel.’

Keke vroeg zich af of vrouwen slecht geciteerd of slecht geïnterviewd worden. Ik zie dezelfde trent bij schrijvers, vrouwelijke schrijvers. Interviews gaan over emoties, paniekaanvallen, ziekte, moeite met het moederschap. Deze vrouwen worden niet neergezet als schrijvers (‘schrijfsters’ zeg ik eigenlijk nooit, schrijven is niet geslacht gebonden, dus er zijn alleen schrijvers, zoals Keke ook een fotograaf is), ze worden ook niet neergezet als auteurs, ze worden voornamelijk neergezet als vrouwen zoals alle vrouwen neergezet worden: als vrouwen met problemen.

(meer)

Twee gedichten: Jan Baeke

Jan Baeke (Roosendaal, 1956) publiceerde zes dichtbundels, waaronder Groter dan de feiten (2007) en Brommerdagen (2010) en Het tankstation op de route (2013). Hij was werkzaam bij het Filmmuseum, is programmeur van Poetry International en voorzitter van de Vereniging der Letterkundigen. Samen met Alfred Marseille maakt hij ‘Cinepoems’, filmclips gebaseerd op zijn gedichten.

(meer)

Archief: De tombe van Wallace Stevens

'Kies iets van de Tomben van Jan Kuijper,' schreef Piet Meeuse (redactielid van 1982/1 tot 1992/1). Neem ‘De tombe van Wallace Stevens’, schreef Christien Kok (1991/6 tot 1994/1). 'Ik was blij dat Jan Kuijper in de redactie kwam, de totaal ongelovige, en geestig. [...] Jan was op alle fronten aanwezig, ook als wijnschenker. En het is een goede dichter,' voegt Barber van de Pol (1983/4 tot 1989/6) toe.

We volgden de concrete suggestie van Christien Kok en namen Wallace Stevens, uit de negentiende jaargang (1992). Kuijper zat toen zelf in de redactie, hij was redacteur van nummer 1984/3 tot 1994/1, en hij droeg frequent bij aan het tijdschrift. De DBNL getuigt daarvan, met veel tijdschriftbijdragen en zijn gebundelde Tomben.

(meer)

Twee gedichten: Emma Crebolder

Emma Crebolder (1942) is afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen, resulterend in sterke banden met Reinaert de Vos. Ze studeerde Duits in Utrecht, en na een verblijf in Tanzania Afrikaanse talen met als hoofdvak Swahili. Haar bundels staan vermeld op de website www.emmacrebolder.com.Vergeten (2010) en Vallen (2012) vormen de eerste twee delen van een drieluik, waarvan het derde luik in 2014 zal verschijnen. Momenteel woont zij in Maastricht. Dit zijn twee gedichten van haar hand.

(meer)

Twee gedichten: Lammert Voos

Lammert Voos is geboren 1962  te Eenrum, groeide op in Sneek.  Medio jaren tachtig was hij zanger/gitarist/componist en tekstschrijver van de band Umberto di Bosso é Compadres. Schrijft poëzie in Nederlands en Gronings en bracht drie dichtbundels en twee prozabundels uit, waarvan de laatste De terugkeer van het haringorakel genomineerd was voor de Grote Inktslaafliteratuurprijs 2013. Momenteel werkt hij aan een roman. Hij was van augustus 2011 tot augustus 2013 stadsdichter van Deventer.

(meer)

Drie gedichten

Hannah van Wieringen schrijft toneel voor onder andere Toneelgroep Oostpool en debuteerde vorig jaar met de verhalenbundel De kermis van Gravezuid (De Harmonie). Haar poëziedebuut Hier kijken we naar wordt in 2014 verwacht.

(meer)

Zin

Dimphey zat naast me omdat ik zei dat ze daar moest zitten en jij zat tegenover ons en het was laat en je zat te wiegen en ik zag de slangen en ik wist dat ze er niet echt waren godverdomme maar ze waren er, ze waren er en ik zei het en ze begreep me niet en ze verdiende een tik maar ik gaf geen tikken als jij erbij was, en ondertussen zag ik ze in mijn ooghoeken, die slangen die slangen die slangen en je ging maar niet slapen al zei ik het honderd keer honderd keer en jullie schrokken toen ik met mijn hand op tafel sloeg en nu ga je naar bed.

Zin

Ze kon haar tenen en haar knieën zien, minuscule luchtbelletjes aan elke afzonderlijke schaamhaar, een vreemde lichtbreking bij haar buik en onderarmen; alsof het onderlichaam van iemand anders was, niet goed paste.

Zin

en in die stilte hoorde spreker de houtwormen
in de planken waar zijn lessenaar nog op stond

(uit Tussen de gebeurtenissen. De Bezige Bij, 2000.)

Zin

Allebei de schoenen?
een schoen doe je uit
als een vrouw bij je op bezoek komt
en je niet met haar wilt trouwen.

(Uit Eerst dit dan dat (Contact, 2004)

Zin

Er is geloof ik geen verschil tussen Ivens die de wind filmt en Ivens die revoluties filmt.

(Jorens Ivens in gesprek met Jan Kat, De Nieuwe Linie, 14 januari 1976)

Zin

Decemberhitte, hagel in de zomer,
vogel rond de top van 'n stuk ijzerdraad verknoopt,
wat ben ik al niet geweest? Ik sterf tevreden.

(Hölderlin, voor György KurtágJános Pilinskzy, vertaald door Erika Dédinszky (Krater, Kwadraat 1984))

Uitzicht is een afstand die zich omkeert

Achter de abonneemuur: tijdelijk en exclusief

We bieden onze abonnees tijdelijk grote fragmenten uit nieuwe boeken van auteurs die in De Revisor stonden: Laura Broekhuysen, Hans Groenewegen, Jan van Mersbergen, Daan Heerma van Voss, Victor Schiferli, Anton Valens, Bart Koubaa, Sanneke van Hassel en nu Revisordebutante Bernke Klein Zandvoort. We kozen een aantal gedichten uit haar debuutbundel Uitzicht is een afstand die zich omkeert, die bij Uitgeverij Querido te bestellen is. (Daar kunt u ook zien of uw boekhandel het op voorraad heeft.)

Hoe vind je houvast in een wereld waar alles caleidoscopisch beweegt? Waar huishoudelijke voorwerpen, land- en stadschappen, dieren en geluiden hun eigen gang blijven gaan? Door goed te kijken. Dat doet Bernke Klein Zandvoort. Soms dromen haar zinnen zich weg van wat concreet is, maar steeds keren ze weer terug naar straten, pleinen, en alle sporen die mensen daarin hebben achtergelaten. Ze houdt beelden en gedachten in de lucht tot er onvermijdelijk iets valt of ze wat morst.

(meer)

Zin

Doof is de wind en leegte draagt hij mee
(Franco Loi, vertaald door Willem van Toorn en Sabrina Corbellini)

Zin

Dat doe je niet, hè, nee dat doe ik niet, ik weet alles nog hoor, we hebben gelachen, hè, ja, we hebben vaak geweldig gelachen, dat ga ik onthouden, nu nog trouwens, ja, als je me maar aan het lachen maakt, weet je nog toen in de Johannes Vijghstraat, ja, ik weet alles nog, toen jij zei dat je gestopt was met roken, weet je nog, en gewoon een sigaret opstak, god ja, je was vergeten dat je ermee was gestopt, ja, en ik wist niet meer dat je gestopt was, wat hebben we gelachen en die avond met die krantenkoppen, godverdomme, we hebben ons kapotgelachen, ik heb nog nooit zo gelachen.

En op het politiebureau, god ja, op het politiebureau, jezus, wat was die agent de kluts kwijt, hij was bezopen, nee nee, hij dacht dat we van het Leger des Heils waren omdat we zongen, ja we zongen, op straat zingen, altijd ’s nachts, weet je nog?

En dat je me in dat café aftrok, niet aan de Oude Gracht, aan de Verwersdijk, gewoon aan de bar, jezus ja, maar ik kwam niet klaar, nee, je gleed bijna van de kruk, volgens mij zag de barkeeper het, hij zei niks, je was zo mooi, zo mooi, je was gewoon geil Vin, ik ben altijd geil op je geweest, weet je dat, je hebt de mooiste kut van de wereld, god jij, jij met je kut, ik hou van je, je moet zulke dingen niet zeggen, je kijkt te veel naar soapseries, toch hou ik van je, je moet me vergeten, ik ga je niet vergeten, doe nou maar je best me te vergeten, daar ga ik niet mijn best voor doen hoor, dat lijkt me niks, niet aan me denken, aan hoe ik er nu uitzie, waarom niet, je ziet er toch gewoon uit, neem nou maar een vriendin, die ene laatst, die van kantoor, hoe heet ze, die kwam bij je staan, ja maar die is gewoon getrouwd met Van Stoor, nou, wat maakt het uit, je hebt een keer verteld dat je op haar geilt, ja, maar niet zoals ik op jou geil, ze heeft mooie borsten, ja jezus, jij ook, ik had mooie borsten, je hebt mooie, ik had ze, zie je, nou lachen we weer, en dan kun je eindelijk naar San Francisco, naar Hitchcock, die is allang dood, ja, dat had je gedacht, ik ga niet naar San Francisco, ga nou maar, misschien leeft ze nog, hoe heette ze, Lee, ja, Lee, ga nou maar slapen, ja hoor, ga maar slapen, ja.

Zin

Ze verstopte zich achter haar hoed omdat ze het niet kon aanzien, Steegman, door vreemde ogen vastgepind op een oranje bank, Renée in zijn schoot, als een boek, een prachtig boek in een taal die hij plots niet meer begreep.

Zin

Hij werd er geen wijs uit, het straatrumoer had iets schelpachtigs, kalkachtig en leeg, als de buit aan schelpen op het strand als de zee zich teruggetrok­ ken heeft, een willekeurige verzameling loze resten. Het was moeilijk een coherente boodschap uit het rumoer te destilleren, behalve een eeuwenoud, geritualiseerd klagen scheen het hoegenaamd geen informatie te bevatten.

Twee gedichten: Paul Hermans

Paul Hermans (Maastricht, 1953) publiceerde gedichten in onder andere De Tweede RondeDe Revisor en in het Nieuw Wereldtijdschrift. Hij debuteerde in 1995 met Een kern van oppervlakkigheid. Daarna verschenen de bundels Inhuizig (1995), Ademnis (1999), Achteruitwaarts Vliegen (2003), Hartschelp (2007) en Spraakdoorn (2010).

(meer)