» ga terug naar de website
De Revisor
Van Miereveldstraat 1
1071 DW Amsterdam

info@revisor.nl literairetijdschriften.org

Baby 1 (VIII)

feuilleton

Baby 12 is terug. We hadden gewerkt in de tuin, en nu we weer in het huis zijn om ons te wassen, zie ik hem zitten op zijn bed. Hij kijkt maar wat voor zich uit. De andere baby’s zien hem ook – ze lopen om, op weg naar de badkamer. Ik wil wel stoppen, maar ik durf niet goed. Ik zie dat hij zijn linkerbeen kwijt is.
In de badkamer fluisterpraat iedereen er over.
‘Zijn been is afgezaagd,’ zegt de een.
‘Hoe moet hij dan nog meedoen bij het hardlopen?’ vraagt de ander.
‘Hij vond zichzelf toch zo bijzonder? Nu is hij echt bijzonder. Net goed.’
Het meisje dat dat zegt, wil ik slaan. Maar ik doe het niet.

(meer)

De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke

archief

'Ik stel voor om het artikel 'De Lijfbard van Knut de Verschrikkelijke' van Nanne Tepper  op te nemen. Het staat (merkwaardig!) niet in zijn gelijknamige essaybundel,' schreef Kees 't Hart ons op onze vraag naar zijn favoriete bijdrage uit de Revisor-geschiedenis. Het is een essay uit het tweede nummer van 1996 over Mahler en over hoe hem te dirigeren, met fijne sneren naar Mahlercriticus Vestdijk.

We gedachten Tepper na zijn overlijden in 2012, en publiceerden een nagelaten gedicht, 'De Groninger en zijn gronden. Een heiligenleven' in nummer 2013-1 [alleen voor abonnees].

(meer)

Ziekte en ijs

Auteur versus schrijver IX

Al weken volg ik de bijzonder sterke artikelen op de site van NRC Boeken van Pieter Steinz over lezen met ALS. Pieter lijdt aan de spierziekte en leest of herleest boeken die hij linkt aan de ziekte. Hij is schrijver, dus schrijft hij er stukken over. Ik weet niet of het komt door de omstandigheden, door zijn medische situatie van dit moment, maar Pieter treedt volgens mij zelden als auteur van die stukken op. Hij gebruikt zijn ziekte niet om een auteur te worden, hij blijft schrijven, en dat is bijzonder.

(meer)

Baby 1 (VII)

feuilleton

Baby 31 – dat is dus Baby 3 – zegt dat iemand met me praten moet. Over Baby 12.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Het is iemand die weet hoe het met Baby 12 is. Ik bedoel: Baby 36.’
‘Wie is het dan?’
‘Ik moet het geheim houden. Anders merken de overzieners het. Je wilt het toch graag weten? Jullie waren toch vrienden?’
‘Iedereen is vrienden met iedereen,’ zeg ik.
‘Nou ja. Je begrijpt wat ik bedoel.’
Ik knijp mijn ogen samen. Baby 3 kijkt alsof hij nog nooit iets lelijks in de wereld gezien heeft. ‘En waar moet ik naartoe?’
‘Aan het eind van het pad achter de kippenren. Kom.’

(meer)

De o van logica

De koffielezer

Er weerklinkt holle bolle ruisss aan de andere kant van de lijn… niet alle eersten zullen de laatsten zijn… klinkt erdoorheen. Ik bestudeer een koffievlek op de tafel, een melancholische meteoriet die op de aarde afstevent. Veroorzaakt hij de ruis tussen Tunesië en mij? Ik wend mijn blik van de vlek af en de ruis verdwijnt. De lijn is weer zuiver…
‘O ja, zuiver? Wel, vertelt u me dan maar eens waarom Eva in een appel beet en niet in een vijg, monsieur Qu’bah.’
‘U bedoelt?’
‘Ik bedoel niets.’
‘O.’

(meer)

Baby 1 (VI)

feuilleton

We hebben Baby 12 al heel lang niet gezien. Hij is verdwenen in de ziekenkamer, en niemand mag er bij. Vaak horen we hem schreeuwen van de pijn, vooral ’s nachts, wanneer alles stil is, zodat je er helemaal gek van wordt. Soms scheldt Baby 2 hem uit. Sommigen baby’s giechelen dan, vooral die uit zijn groepje. De overzieners zeggen dat Baby 12 zijn been heeft gebroken, omdat hij ondeugend is geweest. Dat is wat er gebeurd als je je niet aan de regels houdt. Ze weten niet dat ik ook ondeugend was, al heeft Baby 2 geklikt dat ik tegelijk met Baby 12 naar buiten was gegaan. Maar ik lag al in bed toen ze Baby 12 eindelijk naar binnen droegen.
Toch denk ik dat de overzieners het weten. Ze kijken me aan met ogen die iets zeggen zonder woorden. Ik probeer me onzichtbaar te maken, zodat me niet zien. Maar ze zien me. Ze zien me.

(meer)

Legitimaties

Gedicht, toon me uw papieren!

Heb ik ooit mijn weinig typische afkomst als uitgangspunt genomen voor een gesprek over literatuur, vraagt Charl-Pierre Naudé per mail. Zijn vraag frappeert me. Het zou onlogisch zijn om me als allochtoon te presenteren, een beetje aanstellerig ook in mijn geval. En toch raakt hij iets waarvan ik weet dat het er terdege zit en dat ik maar niet benoemd krijg.

(meer)