We hadden dus een nieuwe rubriek, Zin. Ik zocht naar zinnen en dacht aan Belcampo (pseudoniem van Herman Pieter Schönfeld Wichers), huisarts, schrijver, die nu eenentwintig jaar dood is, en die ooit mijn literaire held was. Hij schreef fantastische verhalen, ik bedoel ongewone, bizarre, onmogelijke verhalen, waarin stoelen, auto's, stof de macht overnemen, waarin de apocalyps in Rijssen plaatsvindt, waarin een schrijver tienduizend dagen van zijn leven neemt om één dag tienduizend levens mee te leven, waarin een welgestelde jongeman zijn zelfmoord uitbesteedt, verliefd wordt maar aan zijn contract gehouden wordt. (Dat laatste, ijzersterk gecomponeerde verhaal heet ‘De ideale dahlia’, en inderdaad, Belcampo was minder goed in titels.)
‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’, uit zijn eerste verhalenbundel, Verhalen (1936), opent met deze zin, even droog als beloftevol: ‘Ik zat in mijn studeerkamer en was bezig aan mijn boek over de zelfmoord als sexuele afwijking, toen het dienstmeisje kwam melden, dat er iemand voor mij buiten stond.’
In Londen zijn mijn buren onzichtbaar. Ik woon boven een krakkemikkig winkelstraatje dat als mikadostokjes bij elkaar gehouden wordt. Als ik aan de overkant sta en naar de bovenliggende huizenrij kijk, wil mijn wijsvinger in een reflex iets van m’n mondhoek vegen. Een dun laagje viezigheid bedekt de gevel. Niemand heeft inkijk. De zon gebruikt de ramen als spiegel om de overkant te belichten.
De aanwezigheid van buren drukt zich in ritmes uit. Boven staat iemand op van de bank. De onderbuurvrouw drukt rond het middaguur het stroef scharnierende hekwerk van haar nagelstudio omhoog. Het piept zoals ik me de geluiden in een vochtige kerker voorstel. Ergens beneden zit om het half uur een ingemetselde telefoon de hele ringtone uit. De stortbak uit een nabije badkamer klinkt als een schip dat toetert bij binnenkomst in de haven.
Ter begeleiding bij Gustaaf Peeks essay in De Revisor halfjaarboek 3 ('En ik lustte het', vrij toegankelijk voor abonnees) bieden Uitgeverij Querido, de DBNL en De Revisor u uit de DBNL-archieven een weinig kerstachtig verhaal voor de feestdagen, 'Wharrrr-wharrrr-wharrrrr!'.
Peek vergelijkt in zijn essay Mahieus stijl met die van Cormac McCarthy, die het 'gewelddadigste boek dat ik tot nu toe heb gelezen' schreef. 'McCarthy wisselt hiervoor lelijkheid af met lyriek, hij bedient zich van een stijl die staccato en barok harmoniseert, van een register dat zijn grenzen vindt in Bijbel en grimmig sprookjesboek. Diezelfde combinatie van spreektaal en verheven taal vormt het proza van Vincent Mahieu. Geweld wordt pas literatuur als daders en slachtoffers geen partij meer zijn, als moraal zijn meerdere vindt in inzicht. Wie geweld wil beschrijven moet verzet en gelatenheid kunnen laten samenleven. Uit een brief vanuit Sampit, toen Boon Mahieu zijn woorden liet kiezen: “We leven weer atavistisch. We leven weer eeuwig en de wekker is vermoord. Tijd, begrenzing en dood hinderen ons niet meer.” Zo’n schrijver, die zou het kunnen.'
Zie ook Peeks bijdrage voor Athenaeum.nl en de DBNL over hoe hij Mahieu ontdekte in het digitale archief.
Zo opende Gustaaf Peek 21 december de presentatie van De Revisor Halfjaarboek 3 (2011-2): met twijfel en zekerheden. Deze tekst is ietwat aangepast, en mag als introductie gelden op het nummer, dat voor abonnees volledig te lezen is op revisor.nl, achter deze link. Voor niet-abonnees is er een lekkermakertje, het openingsverhaal van Maartje Wortel. Dat is gratis te lezen, achter diezelfde link. Het papieren nummer is onder andere bij Athenaeum en Perdu te koop en te bestellen.
Twijfel zaaien over de cultuur. Dat is ook een functie van kunst.
Twijfel over de post-op-maandag-cultuur. Twijfel over de brood-voor-de-lunch-cultuur. Twijfel over de meester-voor-de-klas-cultuur. Twijfel over de makelaars-op-scooters-cultuur. Twijfel over de iPad-en-Kindle-cultuur. Twijfel over de waarom-zij-wel-en-ik-niet-cultuur. Twijfel over de uitslapen-op-zondag-cultuur. Twijfel over de shoppen-op-zaterdag-cultuur. Twijfel over de pensioen-cultuur. Twijfel over de tatoeage-cultuur. Twijfel over de er-zijn-te-veel-debuten-cultuur.
Op een namiddag zat ik op de boot die als pendeldienst van de westoever naar het oosten vaart, maar ook door toeristen wordt gebruikt. De stad trok in een optelling van hoogtepunten voorbij. Op het schermpje van een camera zag ik de foto die mijn buurman van de Houses of Parliament maakte. De ondergaande zon werd tussen de Big Ben en het naastliggende gebouw geklemd. De vrienden van de man maakten ook allemaal een foto.
Graag nodigen bestuur en redactie u uit om het tweede halfjaarboek 2011 van De Revisor ten doop te houden. Het nummer wordt 21 december vanaf 20.30 gepresenteerd bij Perdu aan de Kloveniersburgwal 86, Amsterdam, met optredens van Charlotte Mutsaers, Maartje Wortel, Wim Brands en Maarten van der Graaff en gepresenteerd door Gustaaf Peek. U bent van harte welkom.
In het dossiernummer 5/6 van 1997 vroeg de toenmalige redactie van De Revisor (Groot, 't Hart, Mertens) aan een groot aantal auteurs naar hun visie op hun literaire toekomst. We herpubliceerden eerder Esther Jansma's stuk uit dat nummer, bij gelegenheid van haar rentrée in ons tijdschrift, nu hernemen we uit het archief Hester Knibbes bijdrage, 'Voorwoord'.
Knibbe draagt aan het komende nummer van De Revisor zes gedichten bij, onder de titel 'Pro domo'.
Oxford Street, de belangrijkste winkelstraat van Londen, is afgezet. Zonder auto’s is er meer ruimte voor winkelende voetgangers. Kleine orkesten spelen kerstliedjes. Het verkeer wordt in een bocht langs de dranghekken geleid, waarachter zo veel mensen lopen dat het lijkt alsof er niets beweegt. De afzetting wordt bewaakt door mannen in fluorescerende hesjes, die joviaal met elkaar lachen. Ik was te laat voor een afspraak en moest me door de ontspannen winkelende menigte persen, toen ik vanuit de trapingang van een metro een klarinet hoorde. De klanken dreven over de treden de tunnel uit, de straat op. De muzikant was niet te zien. Toch had hij zichzelf en zijn muziek, die zich onder de straat over het plafond van de tunnel verplaatste om rond de schouders van gehaaste mensen neer te dalen, zichtbaar gemaakt.
Uitgerekend in deze jaren legde Achille van den Branden de grondslag van een opzienbarende leesvaardigheid, die hij tot de perfectie zou weten op te voeren en die hem wereldberoemd zou maken.
Die dag hoort Natalie van op de overloop van het huis, dat de hele vroege morgen rustig is geweest, buiten de naam van Deedee; zij wacht niet eens af om te luisteren hoe of wat, het is voldoende dat het iets met Deedee te maken heeft, iets omtrent Deedee, in de buurt, ongeveer vlakbij, in ieder geval aangaande: Deedee, en zij sukkelt onmiddelijk naar de trap.
Wat een gift, wat een raadsel hoe je al die tijd alles paraat had - maar er zelden naar omkeek, vluchtig soms als naar een foto die je eens van een vergezicht had gemaakt; en dat je herinnering bedolven raakte onder knisperende laagjes nieuwe gebeurtenissen, boordevol mensen en vakanties en boeken en oudjaarvieringen en omwintelingen in de wereld en dat nu, domweg door Martins uitnodiging in te gaan en in een trein te stappen, een bries opstak die alle opgetaste tijd wegblies en je toonde dat het daaronder fris en levend bleek als twintig jaar geleden.
Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten, die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt, dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat.
Ik zat in mijn studeerkamer en was bezig aan mijn boek over de zelfmoord als sexuele afwijking, toen het dienstmeisje kwam melden, dat er iemand voor mij buiten stond.
Ik was zelf al een aardig eindje in Madame Bovary bezig - via La Petite Hutte van Roussin, waarmee je moeiteloos achter die hele gefrustreerde geparfumeerde ohlala-sexualiteit van die Fransen kwam - toen ik Anna pas tot naakt poseren kreeg.