27 Augustus 2013

Lezen is vergelijken. Je ziet invloeden, tijdgeest, overeenkomsten in karaktertekening, humor, stijl. Je plaatst een boek in de actualiteit, naast de biografie, herkent emoties en beaamt redeneringen. Je ziet het allemaal, maar het zijn appels, peren en ananassen, de vergelijking levert geen meetbare standaarden op, geen schaal van literaire waarde of toepasbaarheid. Dus als ik voor een volgend essay op zoek ga naar literaire bevallingsscènes, dan ben ik niet op zoek naar de overeenkomsten, naar het realisme, naar de trauma's van een auteur. Ik wil bijvangst.

Dit is de vis: een levensgrote gebeurtenis, waarbij een vader wacht en wacht en toekijken moet, en een moeder wacht en pijn heeft en in een roes raakt. Uitstel en observatie bij hem, intense aan- en afwezigheid bij haar. De bevalling is zo'n kernmoment in het leven van mensen, het kan in romans ook personages tekenen en verhaallijnen in gang zetten. Hoe doen A.F.Th. van der Heijden (op drie plekken), Joost Zwagerman, Anna Enquist, Kristien Hemmerechts, Heleen van Royen, Hella Haasse, Ronald Giphart en al die andere auteurs dat? Kunnen we in de vergelijking toch iets vangen van hun vakmanschap en kunstenaarschap? Maar de eerste visjes zijn de fictionalisering van de geboorte van Tonio in Het leven uit een dag, de parallelle geboorte van kind en boek bij een viertal auteurs, en een arm die uit een schaduwprop steekt.

15 Augustus 2013

Een cavia op de troon

Over de grens

Eind april – begin mei was er grote boekenbeurs in Buenos Aires. Op uitnodiging van het Letterenfonds mocht ik daar naartoe, met een groep schrijvers die allemaal een Spaanse vertaling hebben: Arnon Grunberg, Cees Nooteboom, Maarten Asscher, Herman Koch, Anne Vegter en Wouter van Reek, van Keepvogel. Het was erg ver vliegen, maar het was een prima week. Twee dingen vielen op in Buenos Aires: er wordt veel gestolen en de manier waarop Nederlandse schrijvers hun koningshuis benaderen roept heftige reacties op.

07 Augustus 2013

Berlijn VI

'Te veel Blaricum is ook niet goed voor de kunst'

Een jaar is lang om ergens te gast te zijn en toch leer je een ding nooit: hoe is het om als Berlijner in Berlijn te zijn. DAAD-residenten spreken onderling Engels, behalve het conglomeraat Spaanstaligen dat samen optrekt en die je ook in plukjes bij de metro tegenkomt. Eigenlijk zitten we niet in Berlijn maar op Mars zegt Braziliaan Bernardo Carvalho tijdens een van de diners bij onderbuurvrouw Mayke Nas. Het geldt niet voor ons werk, de DAAD doet er alles aan om dat werk bij de stad te betrekken, maar voor ons dagelijks bestaan.

Archief

Omhoog