Mini-Mozart
Vorige week moest ik met mijn oppaskinderen naar Mini-Mozart klas. Het is een tweeling van anderhalf jaar. Elke ochtend gaan ze naar een andere activiteit. Mini-Mozart vindt plaats in een gebouw een paar straten verder op, The Young Actors Theatre.
In een volwaardige theaterzaal zit ik met mijn tweeling tussen acht moeders met peuters in een halve cirkel op de grond. Een man achter een piano ordent z’n bladmuziek, een meisje pakt haar tas uit. De laatste moeder sluit de deuren, het straatgeluid valt weg. Naast mij geeft een vrouw haar baby borstvoeding, terwijl haar oudste steeds probeert op te staan en weer terugvalt in haar schoot. Andere kinderen rennen rondjes over de zwarte vloer. Als het meisje nadert met een hoorn, zetten m’n oppaskinderen een paar stappen naar achter. Zware, langgerekte tonen blijven hangen in de ruimte. Het meisje heeft haar ogen gesloten, bedeesd drukt ze de knoppen in, de peuters gapen haar aan. Ik voel mijn gewicht naar de grond zakken. Het is een volmaakte hypnose, de stad valt weg, er is alleen nog deze ingedamde plaats.
‘Lovely!’ zegt het meisje enthousiast als ze de hoorn van haar lippen haalt. “So this was a Puccini, now we’ll continue with Bach’. Achter de piano begint de man een friemelige melodie te spelen. Alle peuters staan op, het meisje begint met een stralend gezicht in haar handen te klappen. De peuters doen haar gebaren na, stampen en hupsen om hun moeders heen, laten zich gewillig op hun luiers vallen. ‘’Yes, the mothers too! Lovely, participate!’
Overdag werk ik met oordopjes in. Mijn bovenbuurvrouw heeft een dolby-surround installatie en door het rooster in de keuken druppelen de rifjes van mijn buurmans ukelele. John Cage kwam er in een dode kamer achter dat perfecte stilte niet bestond. In die ruimte waarin al het geluid door de wanden wordt verstomd, hoorde hij toch twee tonen, een hoge en een lage. Het hoge gezoem bleek van zijn zenuwstelsel te komen, het lage gesuis van zijn bloedsomloop.
De aanwezigheid van het straatgeluid in mijn kamer heeft door het enkelglas dezelfde sterkte als het gezoem van de koelkast. Alleen sirenes steken erboven uit. Engelse sirenes zijn verontrustend. Een korte opzwepende toon (o-wie o-wie o-wie) wisselt af met lange schrille uithalen die aan het eind met een slinger omhoog zwiepen, waarna een happende pacman wordt afgevuurd. Het geheel wordt steeds onderbroken door een lage, pukkelige toon zoals deze in een quiz bij een fout antwoord klinkt. Geen wonder dat alles op z’n plaats schudt als een ambulance voorbij gaat, de straat in een stuiptrekking achterlatend.
Als ik met de tweeling na Mini-Mozart thuis kom, wijst het meisje op de afstandsbediening van de stereo. Met Chopin op de achtergrond delen we een peer. Ik vraag me af of het een harnas is, waarmee deze ouders hun kinderen willen aankleden en of mijn bovenbuurvrouw elke ochtend haar muziek zo hard aanzet om haar eigen dode kamer te creëeren. Een vriendin stelde voor het geluid van de sirenes door Bach te vervangen, het zou de criminaliteit positief beïnvloeden, maar ik betwijfel of dat niet het betuttelen betekent van de realiteit. Ook vraag ik me af hoe effectief mijn oordopjes zijn als ik met half succes het buitengeluid vervlak, maar m’n speeksel verdubbeld hard hoor slikken, mijn gedachten hoor touwtrekken in m’n hoofd.
*
Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van de Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor de Revisor online schrijft zij vanuit Londen.
Ik heb hardop gelachen, dat is altijd een vreemde ervaring, hardop lachen achter je beeldscherm, het wordt gevolgd door een direct verlangen geluid in letters om te kunnen zetten, en aan iemand op te sturen die lach. Het liefst aan diegene die de letters zo geestig bij elkaar bracht. Het emotiloze terugzoemen van mijn beeldscherm, geeft toch altijd een wat holle sensatie. Toch geen spijt van de tijd die ik besteede aan het lezen hiervan, Zeer schoon, Klein Zandvoort. Maar betuttelen van de werkelijkheid? hoe is een gillende sirene werkelijker dan bach?