, 07 Augustus 2013

Berlijn VI

'Te veel Blaricum is ook niet goed voor de kunst'

Een jaar is lang om ergens te gast te zijn en toch leer je een ding nooit: hoe is het om als Berlijner in Berlijn te zijn. DAAD-residenten spreken onderling Engels, behalve het conglomeraat Spaanstaligen dat samen optrekt en die je ook in plukjes bij de metro tegenkomt. Eigenlijk zitten we niet in Berlijn maar op Mars zegt Braziliaan Bernardo Carvalho tijdens een van de diners bij onderbuurvrouw Mayke Nas. Het geldt niet voor ons werk, de DAAD doet er alles aan om dat werk bij de stad te betrekken, maar voor ons dagelijks bestaan.

Je kunt altijd te rade gaan bij mensen die langer in Berlijn verblijven en daar je ervaringen tegenover zetten. Jurriaan Benschop spreekt van ‘het professionele geluk’ van Cees Nooteboom om bij de DAAD te gast te zijn terwijl de muur viel. Hij doet dat in het boek Wonen tussen de anderen. Een portret van kunststad Berlijn (Athenaeum, Polak & Van Gennep, 2009), waarin hij ingaat op de kunststad Berlijn na de val van de muur: ‘Berlijn is een groot atelier geworden.’ Op zich hinkt zijn boek op meerdere gedachten. Als hij het Museumsinsel beschrijft, lijkt het een reisgids. Benschop spreekt kunstenaars en curatoren die in de stad zijn komen werken en geeft maatschappelijke en historische beschouwingen. Hij schrijft opvallend goed, gaat op prettige manier voorbij aan de hipheid van de nieuwe hoofdstad. ‘Duitsers corrigeren graag de medemens,’ schrijft hij met het nodige gevoel voor understatement.

De centrale vraag is hoe dezelfde stad waar amper zestig jaar eerder alle kunst nog werd verbannen een kunststad kan zijn. Berlijn blijft zichzelf in een wereld waarin veel op elkaar gaat lijken, en blijft een beetje nukkig en kritisch op zichzelf vanwege haar historie. De stad is schaarste gewoon. Dat herken ik. Toen ik aankwam en de directrice van het Berliner Künstlerprogramm van de DAAD ontmoette, was het eerste wat ze zei: ‘This used to be a poor city.’

Benschop is een kenner, een blijver. Hij noemt de stad een hersenkraker, maar zijn uitkomst is positief: ‘Berlijn biedt een context waar kunstenaars wijzer van worden, waar ze beroepsmatig van groeien, beter van worden. Berlijn beïnvloedt de manier waarop ze op hun werk reflecteren.’ Dat wil ik als marsmannetje graag beamen. Berlijn leerde me mijn eigen werk serieus te nemen, het zonder gêne op de voorgrond te zetten, maar waar ik ‘Berlijn’ schrijf, moet ik misschien wel ‘de DAAD’ zetten.

Benschop illustreert het aan de hand van ruimtes, kunstwerken en de levensloop van kunstenaars waaronder ook DAAD-gasten als Tacita Dean die na hun residentie zijn gebleven en een gevoel van afstand zijn blijven behouden. Keer op keer plaatst Benschop de kunststad in verhouding tot de stad in het algemeen, zoals Prenzlauerberg waar de oorspronkelijke bewoners verstoord worden door nieuwkomers. Die oorspronkelijke bewoners zijn niet per se betere bewoners: ‘Begin hier niet over zuiverheid. Geloof niet in oorspronkelijkheid.’ Nog een pakkend citaat: ‘Te veel Blaricum is ook niet goed voor de kunst.’

Benschop valt het op dat de oorlog veel meer in Duitsland herdacht wordt: Berlijn laat zijn littekens zien. Koninginnedag noemt hij ‘bezettingsdag’, doordat iedereen in Nederland ‘bezet’ op de grond schrijft. ‘Wat voor een Brit de zee is, dat is voor een Duitser de boom, en in het bijzonder de eik,’ laat hij Tacita Dean zeggen. De kunst die Benschop beschrijft, wil ik ook meteen zien. Het boek toont aan dat in Berlijn het begrip engagement zowel historisch als hedendaags een andere plek heeft in de kunst. Scherp is zijn ontmaskering van de ‘roaring twenties’, het hoofdstuk over DADA heet niet voor niets ‘een tijd waarin je niet wilt wonen.’ Er was een miljardenschuld van de Eerste Wereldoorlog, er waren veel mensen die terugverlangden naar het oude Pruisen en anderen met een hang naar het communisme, wat moeilijk samenging. De kunst maakte daar een lelijke karikatuur van. Maar Berlijn was een ‘doorgangsoord’, van oost naar west, en dat maakte de stad net zo aantrekkelijk als nu.

Geen buitenlander wil volop Duitser worden, dat is de dubbelzinnigheid van de Neue Heimat. In Berlijn hebben buitenlandse kunstenaars minder vrienden en meer tijd om te werken. ‘Life is too short to learn German,’ zegt een van hen plagerig. Volgens de titel van een boek ontstaat er een nieuwe ‘easyjetset’, een gezelschap dat makkelijk en goedkoop in- en uitvliegt.

Berlijn heet te droog en te ernstig en op het eind altijd toch ook ‘te Duits’ om ooit glamour te worden. In het hoofdstuk ‘kunstenaars versus krakers’ gaat het over de ‘knutselkunst’ op bepaalde plekken in Kreuzberg. Benschop spreekt directeuren van kunstcentra: volgens Christoph Tannert was in de DDR kunst altijd politiek en is die nu altijd met de markt verweven. Mark Lammert, kunstenaar uit Oost-Duitsland, zegt dat ‘een van de goede dingen van de DDR was dat antisemieten in de gevangenis terechtkwamen, wat je vandaag de dag niet echt kunt zeggen.’

Veel wat ik in het boek lees, zie ik terug in de stad. Berlijn is ‘vol lelijkheid en onverschilligheid’. Daar komt kunstenaar Jeff Wall langs die zegt dat ‘there is no garbage, there is just different states of matter’. Als een man die over auto’s praat, zo praat hij over foto’s, typeert Benschop hem. ‘Wat hebben kunstenaars toch tegen opdrachten,’ roept hij uit. ‘Er is grote kunst uit ontstaan.’ Maar niet iedere kunstenaar lukt het om op een bepaalde termijn een werk te leveren en niet iedere beantwoorde opdracht zegt veel over de gestelde opdracht.

En ook niet ieder verblijf levert noodzakelijk iets op: Andrej Tarkovski schreef als resident van de DAAD een script dat hij nooit verfilmd heeft. ‘Berlijn is een stad waar de geschiedenis nooit af is, waar ze steeds opnieuw moet worden verteld,’ lees ik in Wonen tussen de anderen. Een portret van kunststad Berlijn. En ook dat herken ik. Iedere gast van de DAAD vraagt zich af hoe het is om te landen vanuit Mars en er te blijven. Hoeveel D-marken je nog krijgt voor het ridderharnas dat vanuit een helikopter op je kop gegooid wordt als je wakker wordt bij de Muur, zoals Bruno Ganz overkomt in Der Himmel über Berlin. En wat je vervolgens nog voor een D-mark krijgt. En hoe je daarmee een nieuw leven begint, te midden van de woestenij.

___________________________________

(foto: Bosz de Kler) 

Erik Lindner verbleef in 2012 in Berlijn als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van de Deutsch Akademischer Austauschdienst (D.A.A.D.) Hij hield er voordrachten, werkte aan zijn eerste roman en leerde de stad van binnen uit kennen. In deze rubriek noteert hij zijn indrukken van de nieuwe Duitse hoofdstad. Dit was de laatste column over Berlijn.

Alle columns in deze reeks: Berlijn IBerlijn IIBerlijn IIIBerlijn IV, Berlijn VBerlijn VIBerlijn VIIBerlijn VIIIBerlijn IXBerlijn X, Berlijn XIBerlijn XII.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog