, 29 Oktober 2013

Berlijn IX (niet-Berlijn)

Ik ben het jaar 2012 als dichter eingeladen in Berlijn maar schrijf er geen gedicht. Ik werk met de vertaalster Rosemarie Still aan Duitse versies van eerdere gedichten en aan Naar Whitebridge, mijn eerste roman. Met de hand, in schriften, en vervolgens op de computer schrijf ik versie vier, vijf en zes, ieder in twee tot drie maanden. Oh no, not another coming of age novel, zegt de directrice van het Berliner Künstlerprogramm als ik over het boek vertel, maar dat is het niet. Ook geen young adult novel. Het is het verhaal van een jongen die met de ziekte van zijn moeder leeft, die zich wegwijs maakt uit de verhalen om hem heen en er zijn eigen verhaal uit destilleert. Het boek begint als de jongen in Schotland aankomt en zijn moeder depressief is. Het verhaal raakt in een stroomversnelling als de moeder in een manie schiet en de jongen van het landgoed weg moet.

Vreemd genoeg dacht ik nooit over de ziekte van mijn moeder te schrijven, zeker niet als ze nog zou leven. Wel zag ik een boek over Schotland voor me, een verblijf van een half jaar, een afgebakende periode, de tijdspanne voor een novelle.

Proza schrijven voelt voor een dichter een beetje als Fremdgehen. Je kan lekker doorwerken, je hoeft niet te wachten op het juiste moment, de ideale concentratie. Ik heb zelden zoveel plezier aan het schrijven beleefd als tijdens het werken aan Naar Whitebridge.

Mogelijk bestaan er duidelijkere paralellen tussen het schrijven van proza en poëzie bij schrijvers die zoeken naar de ideale regel, de juiste formulering. Voor mij was dat niet zo: ik had een verhaal te vertellen. Dat begon bij mijn oom Vincent. Vincent Walter was acteur. Hij had enig succes met De kleine prins, een eigen productie. Alle rollen speelde hij zelf, de prins en de figuren die hij op de planeten en op aarde tegenkwam. Hij deed dat door twee stappen te verzetten en zich om te draaien. Op het eind van zijn leven liep oom Vincent met een stok. Als we hem tegenkwamen, riepen we: ‘dag gekke oom stok’. Dan zwaaide hij met zijn stok en lachte.

Vincent was mijn enige oom in Amsterdam. Ik kan niet langs café Mulder aan de Weteringsschans rijden zonder er aan te denken hoe hij daar ’s ochtends met zijn manager koffie dronk en alle kranten uitspelde. Ook toen hij al lang geen acteur meer was, had hij nog altijd die manager die met hem optrok. Vincent stierf jong. Hij kwam tragisch aan zijn einde. Hij werd voor onderzoek opgenomen in het OLVG, liep naar buiten en kwam onder tram drie. Daarvan herstelde hij niet goed, hij had geregeld epilepsieaanvallen en liep vanaf toen met die stok. Op zijn begrafenis vertelde Hans van der Togt dat als hij Vincent in de Derde Weteringdwarsstraat zag lopen, hij snel terugliep om via de Tweede Weteringdwarsstraat verder te gaan. ‘En nu leg ik een roos op je kist,’ vervolgde hij pathetisch en schuldbewust.

Bij de begrafenis speelde Ramses Shaffy piano, zonder te zingen. Toen de familie voor de ceremonie bij begraafplaats Zorgvlied aan kwam, zat de zanger alleen op een bankje. Er stonden een hoop mensen bij de ingang van de zaal. Shaffy is ‘de charmante man die ook acteur was en die zong’ uit mijn roman, samen met Vincent bezoekt hij op dat moment de grootmoeder die voor hen een fles wodka op tafel zette. Als je van school kwam en je rook de patchoeli van hun bontjassen in de vestibule, dan wist je, Vincent en Ramses zijn er. Dan stormde je de trap op naar de kamer.

Vincent en Ramses leefden tien jaar samen. Ze zijn op dezelfde dag geboren, Vin was exact negentien jaar jonger. De film over Ramses is gemaakt door hun overbuurjongen in de Derde Weteringdwarsstraat. Toch komt Vincent in de hele film niet voor, tot ontsteltenis van de familie. Mijn vader vond het logisch: er is een eerdere beroemdere ex, Joop Admiraal, dat is genoeg voor een verhaal. Vincent had na De Kleine Prins geen succes meer als acteur. Hij had zijn bestaan voor het leeuwendeel aan dat van Ramses gegeven.

In het boek We zien wel, het wonderlijke leven van Ramses Shaffy (Prometheus, 2011) van politicoloog en medewerker van De Groene Amsterdammer Sylvester Hoogmoed, komt Vincent wel voor. Hij wordt ‘een engelachtige verschijning’ genoemd, een ‘rustige jongen met een aanstekelijke lach’, waar Ramses als een blok voor valt. Ramses brengt hem een serenade met trekharmonica onder zijn raam, Vincent woont dan nog op ‘een braaf kamertje’. Eenmaal veroverd, houdt hij Vincent zorgvuldig buiten de publiciteit. Bij iedere gelegenheid wordt hij ‘zo snel als mogelijk achter een pilaar geparkeerd door Ramses’. Het was in de jaren zeventig, pal voor de homo-emancipatie. Ramses was dominant en verbood Vincent op bepaalde rollen in te gaan die hem werden aangeboden. Uren zat Vincent in De Gelaghkamer te wachten tot Ramses klaar was met zijn optreden. Van lieverlee begon hij zelf te drinken. De biograaf stelt: ‘Ramses was erg gesteld op zijn schoonfamilie, met name op moeder Walter (de grootmoeder in mijn boek, EL); haar uitroep “Sinds wanneer word ik niet eens meer aangerand?” vereeuwigde hij in het lied “Lidewij”’.

Op de deur van het huis aan de Derde Weteringdwarsstraat was om nieuwsgierigen buiten te houden de naam ‘Peentje Boetekee, pedicuriste’ geschilderd. Ramses bezat in die jaren ook een woonboot met een kleine gemotoriseerde sloep. Ik herinner me dat Ramses als hij dronken was altijd met die sloep het IJ op wilde en dat Vincent, die niet kon zwemmen, zat te bibberen van angst. Van het huis herinner ik me dat het er stonk in de kelder; ernaast zat op de hoek van de Vijzelgracht een slager waar patés werden gemaakt.

Er zit in de biografie een parallel met die eerdere film over Ramses. Vincent gaat met hem op tournee, ‘Gewoon Ramses’ getiteld, maar zijn bijdragen komen niet op de live-elpee die daarvan wordt gemaakt. Na 1980 gaan ze naar Poona en veranderen ze beiden in sannyasin. Ze mogen er van Bagwhan hun voornamen behouden, daar moeten ze maar eens goed over na gaan denken. Ze gingen er als vrienden uit elkaar, zo schrijft de biograaf. Vincent krijgt het huis, Ramses verhuist naar de boot. Hij laat er door een paar louche figuren een douche in aanleggen. Als hij vervolgens de rekening niet betaald, brengen die figuren de boot tot zinken. Onder het luidkeels zingen van ‘Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy’ wordt de boot later door werkers uit de gracht getakeld. Vincent en Ramses spelen nog samen in een toneelstuk en daarna begint Vincent Café Kerk.

Toen Vincent Walter stierf, was hij 49 en alleen in het oude Wervershuisje aan de Derde Weteringdwarsstraat. Ik herinner me het verhaal dat zijn broers alvast waardevolle erfstukken uit zijn huis verwijderden toen hij er nog was met een sigaret in de hand. Andere verhalen vertellen juist hoe zij het voor hem op hebben genomen. De biograaf schrijft over Vincent zijn leven: ‘Ramses kon ongetwijfeld mensen enorm stimuleren, creatieve aders aanboren, maar in de schaduw van zo’n gigant te leven, had op sommigen een verlammend effect.’ Praktisch iedereen had Vincent inmiddels opgegeven. Tussen de weinigen die op het eind nog contact met hem hadden, waren twee voormalige klanten van de Kerk, Doeschka Meijsing en Xandra Schutte. En mijn zuster, Lucia. Dat van die stok en die patchoeli op de bontjassen heb ik van mijn zus. Zij komt niet in mijn boek voor.

Als kind heb ik gezegd: later wil ik oom Vincent worden. Niet de Vincent van de drank en kroegen en de mannen, maar die van De kleine prins, de lantarenopsteker die over zijn planeet rent. Ik wilde ook postbode worden in Zwitserland en met een krakende fiets de berg op.

Toen Xandra Schutte hoofdredacteur werd van De Groene Amsterdammer en ik er poëzierecensies schreef, kwam het hele verhaal naar boven. Ik wist dat ik er geen gedichten over kon schrijven en in recensies of essays was er ook geen plek voor. Vincent werd de drijfveer voor de roman. Uiteindelijk speelt hij alleen maar een bijrol in het boek. Door zijn oom Vincent leert de jongen dat mensen verhalen maken van de werkelijkheid, er hun eigen versie van geven, wat zijn moeder ook doet als ze manisch is. De jongen wil dat niet, hij wil uitgaan van de waarneming, alleen exact noteren wat hij ziet. Pas later leert hij dat iedereen overal verhalen van maakt en hij dat ook zelf doet. Maar dan zijn we al ver in het boek. En Berlijn? Dat was op die momenten niet meer dan een grote schrijftafel. De indrukken die we buiten opdoen, gebruiken we later wel.

___________________________________

Erik Lindner verbleef in 2012 in Berlijn als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van de Deutsch Akademischer Austauschdienst (D.A.A.D.) Hij hield er voordrachten, werkte aan zijn eerste roman en leerde de stad van binnen uit kennen. In deze rubriek noteert hij zijn indrukken van de nieuwe Duitse hoofdstad. Dit was de laatste column over Berlijn.

Alle columns in deze reeks: Berlijn IBerlijn IIBerlijn IIIBerlijn IV, Berlijn VBerlijn VIBerlijn VIIBerlijn VIIIBerlijn IXBerlijn X, Berlijn XIBerlijn XII.

Op de foto: Vincent Walter.

vier reacties

Josje

Wat een mooi geschreven stuk over Vincent, ik heb Vincent leren kennen door Ramses. Toen zij uit elkaar waren ben ik bij toeval Vincent tegengekomen in de Vijzelstraat. Hij zag dat ik “een vriend om te praten“nodig had, we zijn gaan praten en na enkele uren naar de Weteringstraat gegaan, daar was hij ook zo bezorgd en lief voor mij. Ik kwam regelmatig in Café Kerk, altijd heel gezellig, ik had een heel ander leven en daardoor werden mijn bezoekjes steeds minder, maar Vincent ben ik nooit vergeten! Het was zo’n lieverd!!!!! XXXXX

Josje, - 20-02-’14 15:26
franscarel

Een ontroerend literair portretje van dichtbij over de Gevallen Engel, de Engelbewaarder vele jaren van Godheid Ramses, in wiens helle licht alle anderen tot schaduwen verbleekten…Vincent Walter,- hij was de meest charmante, vrolijkste en allerliefste kroegbaas van Amsterdam in zijn Café “Kerk” (Café “De Kurk” onder intimi). Chapeau dat jij je Oom op deze manier nog even over het voetlicht brengt. Zo’n lieve Oom, ook zo trouw aan zijn vrienden en bekenden, zou iedereen zich wel gewenst hebben.
Toch een kleine correctie. Je suggereert enigszins (je merkt, ik zeg alles onder voorbehoud) dat Pieter Fleury in zijn “Ramses enz.” Vincent buiten beeld hield. Je vader had gelijk, maar ook om nog andere redenen. Pieter had niet de ambitie de biografie van Ramses te verfilmen. Hij was als buurjongetje gefascineerd door zijn twee overbuurmannen, Ramses en Joop, en dat spoor volgde hij terug en verder. Toen Pieter filmde en monteerde, in 2001, was Oom Vincent al kommervol gestorven. Pîeter interviewde de toen nog levenden (Joop is inmiddels ook al weer dood).
Het doet me veel genoegen dat je de integere Ramses-biografie van Sylvester Hoogmoed prijzend noemt. Ik vind dat hij Vincent een volwaardige plaats in het leven van Ramses geeft. Zo heb ik die lieve jongen gekend en zo zal ik hem in mijn gedachten bewaren. Ongeremde levenslust zonder gêne moeten Vincent en Ramses in elkaar herkend hebben.
Nogmaals mijn complimenten voor je “column”, laten we nog maar een glas op Vincent heffen.

(PS: Wel een beetje gek, hoor, dat jij als 30-jarige tegen de toen 45-jarige Vincent op straat “Dag gekke Oom Stok” riep. Ramsesiaanse humor, zullen we maar zeggen.)

franscarel, (URL) - 11-03-’14 17:30
kim de oude

Wat ik me vooral van Vincent herinner is zijn humor , zijn hartelijkheid en zijn drankzucht. de periode na zijn ongeluk was ontluisterend . Zijn geheugen was weg en hij werd achterdochtig. Zijn was een ongelooflijke puinzooi ,maar de thuishulp gooide hij eruit. Maar er was maar 1 Vincent.
Ik mis m.
Kim

kim de oude, - 31-12-’14 16:17
Shlomit Abrahamoff

Ik las het stuk dat je schreef met tranen in mijn ogen. Toen ik naar Israel verhuisde, kreeg ik op een dag zo tegen middernacht een belletje van de grenspolitie op Ben Gurion Airport. “Er zijn twee Hollandse gekken die net uit Amsterdam geland zijn en jou kennen. De ene met een fles vodka in de hand luidkeels zingend “we’re in Israel” en de ander zonder paspoort. Enfin, die vodka en dat gezang gaf me zo een idee wie die twee waren. Vincent kwam aan de lijn – met Ramses viel niet te praten. Wat bleek, in een impuls zijn ze naar het vliegveld gegaan en in een impuls kozen “ze”, Ramses dus, de vlucht naar Tel Aviv. Degene die geen paspoort had was…. Vincent. Ik weet niet hoe ze zonder dat paspoort op de vlucht konden komen. Dat zal altijd een mysterie blijven. Ik belde de Nederlandse consul uit bed, die zijn garantie gaf zodat de twee met me mee konden. En de volgende dag zijn we de boel gaan regelen en Vincent had zijn laissez passer. We hebben heel wat afgelachen samen. Vincent was zo een geweldig iemand. Hij was origineel, praktisch op een zeer onpraktische manier. Hij had een zeer originele blik op het levensgebeuren doordrenkt met humor. Hij was Ramses zo toegewijd. In feite heeft hij zich in zijn schaduw gesteld, wat echt erg jammer was. Het is heel droevig dat hij zo gestorven is..

Shlomit Abrahamoff, - 24-06-’16 08:19
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog