De molen draait, de bunker staat

Co Woudsma. Hoogste zomer (De Bezige Bij, 2015)

Voorin Hoogste zomer, de derde dichtbundel van Co Woudsma, staat dat de auteur voor het schrijven ervan een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren ontving die hij geweigerd heeft. Die zin staat daar hinderlijk prominent. Als ik me goed herinner (een zinsnede waarmee ik de fictie betreed) was het euvel dat Woudsma bij het toekennen van de beurs zo onverstandig was de motivatie op te vragen en schrok van wat hij las. Vervolgens was de uitgever zo onverstandig niet alles in stelling te brengen de auteur van de vermelding te weerhouden. Er zijn getroebleerde geesten die zich zo normaal mogelijk voordoen. Er zijn ook normale geesten die zich zo excentriek mogelijk voordoen. Mijn sympathie ligt bij de eerste groep en dat is een poëticale uitspraak. Je zou Co Woudsma een exemplarisch dichter daarvoor kunnen noemen. De bundel Hoogste zomer is veel meer een tour de force dan de argeloze lezer of beoordelaar zou vermoeden, en dat geldt ook voor zijn eerdere werk. Als kunstenaar is je innerlijk al verward genoeg en kun je er beter een beetje ordentelijk bijlopen, zoiets schreef Thomas Mann al.

‘Ik wil de sneeuw graag schennen, voet / voor voet bewijzen dat ik echt besta,’ schrijft de dichter in het gedicht ‘Maart’. Hij houdt absoluut niet van de natuur, zo geeft hij de indruk, hij vindt het ‘erg goed’ als tuinen vol liggen met vuilniszakken en puin en ‘dat de mensen zich niet schamen voor hun kabouters’. Maar het is niet alleen de natuur die hem irriteert: ‘Ik vraag me af waarom je elke dag sirenes hoort / en of een ander niet mijn leven leiden kan.’

Co Woudsma debuteerde in 1997 met Viewmaster en publiceerde in 2005 Geluksinstructies. Dat betekent dat hij tien jaar over deze kleine nieuwe bundel met afgemeten gedichten heeft gedaan. Die delicaatheid is voelbaar bij het lezen, hoe achteloos veel gedichten ogenschijnlijk ook beginnen. ‘Ze wonen mooi,’ opent een gedicht dat afsluit met de wending ‘in het zompig laagland, / dat meegeeft als vlees’. De titel ‘Hier rust’ maakt het gedicht rond. In zijn afgemeten streven naar perfectie, soms krampachtig en dan weer galant, heeft de derde bundel van Co Woudsma iets klassieks.

Want wie schrijft er nu een gedicht dat over niets anders gaat dan dauw op auto’s, vocht op die metalen platen, en noemt dat gedicht ‘Alchemie’? Niet elk gedicht in Hoogste zomer is even sterk, maar het merendeel van het werk is intrigerend. Verlangt Woudsma toch niet stiekem naar de natuur als hij op het binnenplein van het winkelcentrum naar het open dak kijkt? Natuur en verstedelijking zijn tezamen ‘Twee parken’, volgens de titel van een gedicht dat opent met de regels: ‘Dit park is een stad. De bomen / belemmeren het doorzicht.’ Als Woudsma in het gedicht ‘De beken’ het over elf paarden heeft, die gezien hebben ‘hoe hoog het water in de late winter kwam / en hoe het nesten bouwde’, is het toch het water dat het onderwerp blijft, de ‘namaaknesten’ zullen uit opgestuwd stro of takjes bestaan. Zoiets klinkt ongerijmd – maar daarna komt een slotbeeld dat beklijft:

Aan een kale twijg
een geel slakkenhuisje als een knop.
Hoe langzaam zal het bloeien.

Menig gedicht uit Hoogste zomer kan zo overgenomen worden in een themabloemlezing. Voor het gedicht ‘De bevers’ leeft Woudsma zich in een dergelijk dier te zijn volgens de methode van De karpersimulator van Erik Menkveld en slaagt er ook in, het gedicht is oké maar leest als een opdracht. ‘Kerstreces’ opent surreëler: ‘Dit land bestaat uit kleuren / als een rijkbegroeide maan. / Het is een bord vol hei.’ Bij zulke wendingen geeft Woudsma de indruk dat hij loskomt, dat hij veel meer durft dan in zijn eerste twee bundels. Maar dan volgt in de vierde regel het woord ‘pootaan’ en is de ontstane gewonnen ruimte zoek. Opzoeken: ‘pootaan spelen’ betekent hard doorwerken of flink aanpakken. Woudsma heeft het over ‘pootaan sjokken’ en daar is een ‘circuit’ voor nodig.

Maar het gedicht ‘Dordrecht’ gaat een klassieker worden. De dichter is er geweest, hij heeft het zelf gezien: ‘overal muren en ramen. Mensen lopen door de straten’. Naar verluidt zijn er achter al die gevels jongens die zich aftrekken en meisjes die naakt onder de douche staan. En dan vraagt Woudsma zich af:

Is het leven daar net zo elders – vuil dat de lichamen
van mens en dier verlaat, bestaan dat uitgezeten wordt –

of treft je het bijzondere,
een gevel als geen andere,
een onverwisselbare wolkencombinatie
of een individu – desnoods gespiegeld in een etalage.

Het leven is ‘een schilderij dat niets voorstelt’, schrijft Woudsma in het openingsgedicht ‘Aanzoek’ van de tweede afdeling van de bundel die zeer lyrisch ‘Waarom niet met jou’ heet. Het stelt inderdaad niets voor, vergelijk het maar eens met de eeuwigheid en je weet hoe nietig dat leven is. Om dan weergaloos te eindigen: ‘Dus waarom niet met mij / een cola drinken? // Dus waarom niet met jou / achter een struik en voor de wet getrouwd?’ Als stillevens of natuurbeelden beschrijft Woudsma plastic bakjes die ‘met / een restje mayonaise’ in de struiken hangen. Plotseling is hij houterig en jammer genoeg te expliciet als hij de schemer ‘het niemandsland tussen de duidelijke dag / en de uitgestorven nacht’ noemt. Terwijl Co Woudsma heel veel kan, in zijn eigen rustige tempo. Een jongen in een judogreep stilzetten: ‘Met opgeslagen, ongeslagen billen, / met uitgeprinte, ongekuste mond’.

Op het eind van de bundel wordt de concentratie minder. In ‘Advertentie’ heeft de dichter het over handen die zowel het slaan als strelen beheersen, en dan volgt: ‘Slechts wie weten te bevelen / zullen ooit mijn vraag verstaan.’ Dat archaïsche ‘Slechts wie weten’ in meervoud slaat een beetje dood naast de sadomasochistische oproep. Het ‘Lied van de beloonde boontjes’ heeft hetzelfde euvel, het kan om sperziebonen gaan met verstrakt vel, of om andere lijven wier boontje om zijn loontje komt. Dat is woordspelig. De wens een reclame te zijn op een alleenstaand huis ‘tussen een snelweg en rotswand’ is puntgaaf uitgewerkt maar blijft wel heel licht. Maar het kan ook goed gaan. Als een moderne Piet Paaltjens kijkt de dichter zo kort als mogelijk naar een kind in de trein en betrapt zich op zijn adoratie, bevraagt die: ‘Zou het toch bestaan: de liefde voor een mens / als voor muziek’.

Het slot van Hoogste zomer had sterker gekund. De breuk in het laatste gedicht, waardoor een gedeelte bovenaan de volgende pagina komt, is verwarrend. Is dit opzet of slordigheid? Dat neemt niet weg dat er in de bundel schitterende gedichten staan. Co Woudsma is een zeldzaam dichter die zijn werk met veel toewijding stapje voor stapje aanscherpt. Niet vooruitstrevend of kakofonisch, een gedicht hoeft niet meer te zijn dan een kleedje in een plas water. Soms terloops en dan weer groots. Laten we met Co een cola drinken. En laten alle beoordelaars hem liefdevol toespreken, hoe kritisch of bewonderend we ook zijn.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog