20 Januari 2017

Deze week gelezen (3): Verbeke, Vittorini, Victoria

Ivo Victoria, Nanne Tepper, Niña Weijers, Elio Vittorini, Annelies Verbeke: de redactie las warm en gepassioneerd proza, geestige en dreigende korte verhalen, ernstige brieven en permanente focalisatiewisselingen.

*

Daan Stoffelsen: Annelies Verbeke, Halleluja

Deze week tip ik het boek in de maandelijkse Boekenbrief van De Gids, De Groene Amsterdammer en Athenaeum Boekhandel, en volgende week wijd ik er een recensie voor Athenaeum.nl aan, maar er is meer over Annelies Verbekes nieuwe verhalenbundel Halleluja te zeggen. Ik wil in die bespreking ingaan op de verschillen tussen de besprekingen van het boek - overwegend lovend, behalve NRC, Tzum was de rel op het spoor - maar hier wil ik mijn favoriete personage, de auteur, uitlichten. Die duikt op in Dertig dagen, dat de Opzij Literatuurprijs en de Bordewijkprijs won, onder andere in deze scène, maar later wordt het nog wat ongemakkelijker - én in 'Vojtech, Miloslava en Jano', dat in Revisor 12 stond.

Nu weet Verbeke raad met huilbaby's met een voorspellende gave, cellistes als leeuwenvoer, dwalende immigranten, maar vooral ook met schrijvers in een verwarrende wereld.

'De auteur is een beer geworden. Een oude, bruine beer. Van het mannelijke geslacht maar impotent, zo meent hij te ontdekken, voorzichtig tastend met zijn kromme klauw,' schrijft ze. 'Omdat hij vindt dat hij over zoiets open kaart moet spelen, vertelt hij het meteen aan de partner van de auteur, naast hem in bed. De partner draait zich slapend om en verstrengelt zich blindelings met de beer, zijn mond om diens rechtertepel.' Haar ideeën zijn verrassend, haar zinnen zijn precies afgepast, en ze blijft geestig maar houdt de dreiging in stand. 'De beer gromt zacht en fronst.' Kafka die weet dat hij Kafka leest.

Maar bovendien keert een wervelende sequentie uit het Revisorverhaal terug in Verbekes nieuwe verhaal 'Wilde dieren', over twee topmuzikanten, geliefden.

‘Jaroslav leidde haar langs een toeristenvrij parcours door zijn stad, over de pleinen die ze al kende van vorige bezoeken, voorbij elkaar overtreffende gevels. Ze praatten over reizen, bleken elk bekend met een half-Spaanse, half-Japanse in Madrid, niet dezelfde – zouden de twee elkaar kennen? Ze lachten, soms uitbundig, bleken op dezelfde dag geboren te zijn. Erika zag een man met een in zwart papier verpakte viool, er zat een breed rood lint omheen – een beeld uit een gedicht, vond ze. En zo veel mensen met snaarinstrumentvormige koffers hier. Jaroslav zei dat er een zegswijze bestond die beweerde dat elke Tsjech een muzikant is, al was dat misschien niet langer zo. Ze waren bij Café Louvre en alles stamde uit een boek van Hrabal, uit een boek sowieso, het vrouwtje dat hun jassen aannam bij de art-decovestiaire, het vaste tapijt, de lusters, het gehakt in de paprika en wat ze zeker eens moest proeven: deegballetjes gevuld met pruimen, ze kreeg ze niet op, moest de pruimen eruit halen, die waren het lekkerst. Ze rookten dunne sigaren. Een paar keer vroeg ze hem of hij dat ook hoorde, Smetana’s Moldau, heel zachtjes, maar hij dacht dat ze een grapje maakte. Hij zette zijn bril op en af, Jaroslav, en had ze nog tijd voor koffie, elders? Ze had alle tijd. Hij hielp haar in en uit haar jas, daarna nog eens, een nog kleiner café, donker, verstopt achter een winkel, banken als in een oude trein, zelfs weinig Pragenaars kenden het. Toen scheidden hun wegen, zij moest een journalist zien. Hij moest naar zijn zangles. Ook een zanger dus! Barok.&srquo;

De verschillen zijn nuances, de hoofdpersoon heet nu niet 'de auteur' maar Erika, en in de Revisorversie staat 'verjaren blijkbaar in dezelfde week', iets minder vet. De 'dunne sigaren' waren sigaretten, 'de auteur' gaf 'hem een boek van haarzelf, vertaald in zijn taal' - iets wat de celliste natuurlijk niet kan doen -, en het Revisorfragment eindigt iets rustiger: 'Een zanger? Ja. Barok.' Vooral is 'Vojtech, Miloslava en Jano' in de tegenwoordige tijd gesteld, wat beter werkt bij de groteske ontmoeting tussen auteurs en personages.
Maar in beide versies, het is de moeite om ze naast elkaar te leggen omdat beide verhalen zeer de moeite zijn, is het ritme goed: veel komma's waar 'en' had gekund, maar dan was het stroever geweest. Het bevat mooie details: de half-Spaansen, half-Japansen, de zegswijze, Hrabal, deegballetjes, de bril op en af, 'en had ze nog tijd voor koffie, elders?'. Die indirecte rede werkt ook erg goed. Er is, Kees 't Hart schrijft het in De Groene Amsterdammer, veel meer te citeren, en analyseren, en het genoegen blijft.

De Geus gaf Halleluja uit. Revisor 12 is nog te bestellen bij uw boekhandel.

Jan van Mersbergen: Elio Vittorini, De rode anjer

Soms grijpen zaken die met schrijven te maken hebben op een volstrekt vanzelfsprekende en ergens ook ogenschijnlijk kleffe manier in elkaar.

Tijdens de presentatie van mijn laatste roman haalde mijn redacteur Christoph Buchwald in zijn toespraakje Elio Vittorini aan, een schrijver afkomstig van Sicilië. Zijn roman De rode anjer is zojuist bij Cossee in een nieuwe vertaling verschenen in de reeks Cossee Century, het origineel verscheen in 1948 onder de titel Il garofano rosso. Deze vertaling is van Emilia Menkveld, de oudste dochter van de dichter Erik Menkveld, die een jaar of acht terug mijn redacteur was bij Cossee, toen ik aan mijn vijfde roman werkte. Erik overleed drie jaar geleden. Hij was getrouwd met Maria Vlaar, die afgelopen week voor De Standaard De ruiter recenseerde.
We kennen elkaar allemaal, we vissen in dezelfde vijver, maar toch valt het met dat kleffe wel mee want er is vooral ook veel afstand. Al deze betrokkenen spreken elkaar niet vaak. Ik denk dat ik Maria en Emilia voor het laatst zag op de begrafenis van Erik.

Wat rest is lezen. Het mooie van een bezoekje aan mijn eigen uitgeverij, met een uitgebreid en bijzonder sterk fonds, is de vraag: ‘Kan ik je nog blij maken met een boek?’
Dan sta ik voor die boekenkast en peins over titels en schrijvers, en dan schiet me die toespraak weer te binnen, en zeg ik: ‘Die Italiaan heb ik nog niet.’
Dus ik kreeg De rode anjer mee.

Eigenlijk wilde ik wachten tot er een goede aanleiding was om de roman te lezen. Vakantie bijvoorbeeld. Maar dat duurt nog lang en staat nog allemaal niet vast, dus begon ik nu al te lezen.
De rode anjer gaat over verlangen. De verteller – Alessio Mainardi – krijgt een rode anjer van Giovanna, een mooie studente. Daarna is ze verdwenen en de bloem houdt de jongen in zijn greep. Hij wil bij haar zijn, hij wil haar aanraken, hij wil haar kussen. Heel mooi is de toon waarop Alessio zijn verhaal uiteen zet: warm, gepassioneerd, vertwijfeld en tegelijk helder en hard. Dat spreekt elkaar tegen. Veel gepassioneerd proza is of erg slap of verzandt in zweverig gedweep. De rode anjer omzeilt dat.

Alessio zegt: ‘Ze ontglipte me als ik haar in gedachten Diana noemde. Als ik haar Giovanna noemde, was het alsof ik haar kon aanraken.’

Daartussen beweegt de roman zich: het meisje een andere naam willen geven zodat ze er voor even niet meer is, niet meer in zijn gedachten, en aan de andere kant haar echte naam steeds noemen om, hoewel ze er niet meer is, bij haar te kunnen zijn.
Prachtig boek.

Uitgeverij Cossee gaf De rode anjer uit.

Thomas Heerma van Voss: Niña Weijers over Hemingway, de brieven van Nanne Tepper en Ivo Victoria, Billie & Seb

Een van de weinige voordelen van de griep, is de plotseling vrijgekomen tijd. Afgelopen week was het zover, ik trok me dagenlang terug op de bank bij mijn ouders, las eindelijk goed wat er in 2017 al verschenen was aan Groene Amsterdammers , inclusief de Hemingway-special, met onder meer een bijzonder knap stuk van Niña Weijers (‘Misschien is boosheid een vorm van angst. Misschien ben ik in toenemende mate een boze witte vrouw. Mijn overtuigingen over romans als autonome kunstwerken die eerst en vooral over stijl gaan, over personages die je nooit mag gelijkschakelen met de auteur, over de volledige vrijheid om over alle onderwerpen te schrijven wat je wil, blijken wankeler dan gedacht.’) Dat blijkt nu ook geheel online te staan, dus mocht u het nog niet gelezen hebben, sla uw slag.

Ook was er, gelukkig, tijd voor boeken: ik las enkele honderden bladzijdes van de brieven van Nanne Tepper, eindelijk, ze lagen al tijden klaar - en ze waren zonder meer de moeite waard. Geestig, scherp (ik zal de zinsnede 'hoe dan ook' voortaan met meer twijfel gebruiken, die noemt hij voortdurend bejaard), pedant, ijdel, kritisch, eenzaam, woedend. Vooral krachtig is Tepper wanneer er enige wanhoop in zijn woorden doorklinkt, wanneer hij zo fel afgeeft op Joost Zwagerman ('Zwelgerman') dat je al voorvoelt dat hij het schrijversschap zo serieus neemt en zo belangrijk vindt dat het hem op den duur vermoedelijk zal teleur stellen, of in elk geval dat hij zulke hoge verwachtingen heeft dat die niet ingelost kunnen worden. Lichtheid zit er amper tussen, de humor die ik net noemde is vooral de humor van de scherpte, van de komische bijnaam of onderkoelde formuleringen - maar Teppers brieven zijn een zaak van ernst, en dat was ook waarom ik de volledige 750 pagina's niet haalde: op den duur begon die ernstige, miskende, afgezonderde stem me wat te irriteren, of hij sprak me in elk geval steeds minder direct aan. Kenmerkend en tegelijk toch een zwakte, die eentonigheid. Wel weer krachtig: om door middel van zulke brieven zijdelings te kunnen lezen hoe literatuur ontstaat, om de brieven heen, soms ook in de brieven zelf. In het geval van Tepper gaat het om De eeuwige jachtvelden. Maar de volgorde behoort toch te zijn: eerst die roman, en daarna pas, als addendum en achtergrondinformatie, deze gebundelde brieven.

Na die paar honderd bladzijdes Tepper was er gelukkig nog fictie, en wel een boek waar ik al een tijdje naar uitzag: Billie & Seb van Ivo Victoria. Ik houd van Victoria's stijl, een stuk overdadiger en met meer metaforen dan ik zelf schrijf, maar altijd gewikt en gewogen. Ook fijn dat zijn boeken steeds zo verschillend zijn. Dit is weer een heel ander boek dan Dieven van Vuur, Victoria's (bijzonder sfeervolle) laatste roman, en weer schrijft hij zo scherp. Het verhaal draait om een nogal afgezonderde, in zichzelf gekeerde jongen, Seb, die van zijn ouders een geweer cadeau krijgt om zijn isolement te doorbreken. Het onheil ligt daarmee al vanaf de eerste zin op de loer; ik heb de roman nog niet uit, maar alles wijst naar een donker of in elk geval somber einde. Toch is het geen zwaar boek, daarvoor is de taal te licht, zijn de scènes te kalm. Door middel van permanente focalisatiewisselingen bouwt Victoria gestaag en behendig de spanning op. Ik houd zelf meer van romans die vanuit één perspectief zijn verteld, zoals Victoria in veel eerdere fictie ook deed, en de eerste pakweg vijftig bladzijdes moest ik er hier ook inkomen, maar uiteindelijk werkt het: stukje bij beetje komt de hele omgeving van Seb aan het woord, zijn ouders, zijn oom, er zijn flashbacks naar zijn tijd met Billie (die vanaf het begin van de roman in coma ligt na een ongeluk), en zo ontstaat er een mooi portret van een gesloten karakter. Ik heb nu, met het einde in zicht, een sterk idee van waar het heen gaat, en ik wil toch alles precies verder lezen - en dat is toch een grote verdienste van Victoria.

Thomas las De Groene 2017-1, die na te bestellen is. Teppers brievenboek De kunst is mijn slagveld werd bij Atlas Contact uitgegeven; daar staat ook een fragment (PDF)Billie & Seb door Lebowski. Bij Athenaeum staat een fragment.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog